Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan zich bij de Calvinisten aan te sluiten, laat staan hun hoofd te worden zoolang zij zich afkeerig betoonden — en dat deden zij — van toenadering tot, van vereeniging met de aanhangers der Augsburgsche Confessie. Ook tegen een verbinding met de leiders der Hugenoten, met Coligny en de zijnen, die met levendige belangstelling den loop der zaken in de Nederlanden hadden aangezien en den edelen te St. Truyen ingeval van geweld 4000 ruiters hadden toegezegd, had hij ernstige bezwaren, want de Franschen waren vanouds de landsvijanden en hadden steeds het oog op Vlaanderen, Henegouwen en Namen; ook de Hugenoten waren niet met de Lutheranen te vereenigen. Wij bezitten een briefje van hem aan zijn broeder, waarin hij dezen mededeelt in den droom gezien te hebben, „comme vous étiés tous des Francois", een droom, die hem blijkbaar zeer had benauwd maar ten slotte toch deed hopen op „quelques bons nouvelles qui nous viendront". Wat hij hoopte en verwachtte, was hulp uit Duitschland, niet uit Frankrijk, tegenover de geheime plannen des Konings, tegen hemzelven en zijn vrienden; op de Calvinisten wilde hij niet steunen.

Inderdaad, er was alle reden voor ernstige bekommering, want de positie van den Prins was niet slechts netelig, doch ook rechtuit dubbelzinnig. Hij was ambtenaar des Konings, voornaam ambtenaar, tevens voornaam vazal, in beide opzichten gebonden door dure eeden van. trouw en gehoorzaamheid, en toch maakte hij zich gereed om aan het hoofd van den adel 's Konings verwacht geweld met geweld te beantwoorden. Hij was voor het uiterlijk nog wel katholiek maar in zijn hart helde hij steeds meer over tot het Lutheranisme zijner verwanten en vrienden in Duitschland; van eenige nadere betrekking met de Calvinisten wilde hij nog altijd niets weten, al bleef hij met Lodewijk en Brederode overleggen, die dit thans wel wilden en zelfs verder waren gegaan, immers steun en hulp hadden toegezegd.

Maar niet minder dubbelzinnig was de Koning tegenover hem. Op den isten Augustus 1566 schreef de Koning, die hem bij de eerste de beste gelegenheid met de zwaarste straffen hoopte te kunnen treffen, hem, nu de tijd daarvoor nog niet rijp scheen, hoogst eigenhandig een beminnelijken brief, waarin hij hem zijn volle vertrouwen betuigde, een vertrouwen, dat moest blijken — zoo schreef hij — uit 's Konings vroegere brieven, gegrond was op 's Prinsen daden en niet geschokt kon worden door de uitlatingen van de vijanden van 's Konings dienst

Sluiten