Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

barende wijze toegenomen, zoodat de Staten van het gewest reeds 6 Juli daarover ernstig beraadslaagd hadden en half Juli hadden besloten om aan de landvoogdes schorsing van plakkaten en inquisitie te vragen benevens een nieuwe regeling der religiezaken in den geest der toegezegde moderatie. Het Hof in Den Haag had echter de Staten ernstig gewaarschuwd tegen dergelijke verzoeken, die begonnen te gelijken op „approberen van 't faict van de Geusen," wat de „juste indignatie" van den Koning zou kunnen wekken. Maar de Staten hadden hun voornemen toch uitgevoerd, zij het dan met weglating van het verzoek om schorsing, opdat men niet geheel „sqnder loy ofte wet" op religiezaken zou zitten; 30 Juli hadden zij door gedeputeerden hunne wenschen aan de landvoogdes voorgedragen. De Prins had als stadhouder de vermelde weglating goedgekeurd, nadat de landsadvocaat Van den Eynde, die blijkbaar de gematigde gevoelens op godsdienstig gebied deelde, hem persoonlijk een en ander had duidelijk gemaakt.

De landvoogdes had niet dadelijk geantwoord en eerst 23 Augustus hadden de gedeputeerden, aan de Staten verslag kunnen doen van hunne reis en het antwoord, dat zij hadden ontvangen bij apostille op hun ingediend rekest: het gewone antwoord, nl. dat de landvoogdes erover aan den Koning zou schrijven. De zaken waren in Holland reeds zoover gekomen, dat men er vurig de overkomst van den stadhouder wenschte, opdat hij ook hier orde op den gevaarlijken toestand zou stellen. Het was echter toen al te laat om ongeregeldheden te voorkomen en ook in Holland werd heftig gebeeldstormd zoo goed als in Utrecht en Zeeland. Slechts enkele plaatsen, als Gouda, bleven daarvan vrij.

Oranje was over den Beeldenstorm hoogst verontwaardigd en zelfs Brederode, „le grand Gueux", verborg zijn ergernis over deze uitspattingen van calvinistische dweepzucht en gewone plunderlust niet. Hij was in overleg met Hoogstraten en graaf Lodewijk, die zich bij den Prins te Antwerpen bevond, juist bezig om maatregelen te nemen tegen hertog Erich en wie er meer, zooals Aremberg in Friesland en Megen in Gelderland, door de edelen verdacht werden van heimelijk voorbereiden eener gewelddadige onderdrukking der Geuzen en der godsdienstige opwinding in het algemeen, volgens 's Konings wenschen en bevelen.

Te midden van deze beweging aan alle kanten kwamen nu de

Sluiten