Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook zijn goederen ja, zijn leven verbeurd verklaren; zijn openlijke overgang zou bovendien de Calvinisten, van wie hij zich voortaan verre zou moeten houden, krachtiger doen vervolgen en hem in de onmogelijkheid brengen om de zaak van het Evangelie in de Nederlanden heimelijk te steunen met den invloed, waarover hij als hooggeplaatst ambtenaar thans nog beschikte, zoodat die zaak eronder lijden zou in plaats van „underbauwet" te worden. Maar, meende landgraaf Wilhelm, men moest ten slotte Gode meer gehoorzamen dan den menschen en het eeuwige ging boven het wereldsche: de Prins móest zich dus openlijk Lutheraan verklaren.

Oranje echter zag in zulk een overgang nog „vil mehr unraths und gefarh als heils und guts"; al was hij geenszins Calvinist, antwoordde hij, de Calvinisten der Nederlanden zouden voorgoed eronder raken en bloedig uitgeroeid worden, wat „weder recht noch christlich" was evenmin als de daarmede onverbrekelijk samenhangende ondergang des lands, terwijl men nu in zijn sterk calvinistisch aangedane gouvernementen op hem rekende en hem boven alles vertrouwde. Zou het door zijn overgang niet onmogelijk worden de woelingen in vrede en eensgezindheid tot staan te brengen?

Hessen en Saksen, van wie de eerste met den hertog van Wurtemberg op het protest der landvoogdes tegen de hchtingen ten behoeve der edelen en haar wensch om die ten behoeve des Konings te steunen geantwoord had, dat zij het eenige heil zagen in gewetensvrijheid en toelating der Augsburgsche Confessie in de Nederlanden, bleven nog in November bij Oranje aandringen op openlijke verklaring als het eenige middel om zeker te zijn van de hulp en den steun der Duitsche vorsten. De Prins, die deze hulp en steun vurig begeerde, verklaarde zich ten slotte geneigd tot een „geheimbt schreiben" aan den Koning met de bekentenis van zijn ware gevoelens in het godsdienstige, die hij — zegt hij thans wat al te luide — in de Augsburgsche Confessie „gebornn und ufferzogen", ook „in unserm hertzen je und allwege getregen undt bekendt haben"; hij zou dan den Koning, mits deze hem en zijn geloofsgenooten vrije godsdienstoefening liet, beloven van zijn kant niemand met geweld te willen bekeeren of iets te willen ondernemen tegen de oude Kerk, hare geestehjken en goederen.

Maar deze plannen en denkbeelden werden spoedig door den loop der gebeurtenissen ter zijde geschoven en de Prins bleef voor het uiterlijk

Sluiten