Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NEGENDE HOOFDSTUK.

BALLINGSCHAP EN STRIJD.

Toen de Prins zich iff het stamslot te Dillenburg vestigde, waartoe hij als hoofd van het-geslacht Nassau recht had, al was zijn' broeder Johan de feitelijke bezitter van het slot, rekende hij steeds nog op de hulp der Duitsche vorsten van de Augsburgsche Confessie, die eindelijk «n tem laatste besloten hadden bij den Koning mét een brief en bij de landvoogdes van den Botirgondischen kreits door middel van een gezantschap nog eens aan te dringen op matiging, op toelating der Augsburgsche Confessie, op godsdienstvrede, op niet-invoering der inquisitie. Het gezantschap verkreeg inderdaad, na vrij wat moeite en wachten, den 20sten Mei gehoor bij de landvoogdes en den Raad van State; de landvoogdes beloofde den volgenden dag den brief aan den Koning te zullen overzenden maar weigerde overigens eenige verandering in den godsdienst toe te laten en gaf den heeren het nuttelooze van hun stap te kennen, terwijl Mansfeld hen ondershands waarschuwde zich niet in te laten met de burgerij. Een dergelijke brief der Duitsche vorsten aan de regentes van Frankrijk, Catharina de Medicis, had evenmin eenig succes. >

Oranje moest ook daarin berusten en legde zich-in afwachting van (den loop der dingen in de Nederlanden te Dillenburg toe op de verI meerdering zijner totnogtoe uiterst geringe kennis van den Bijbel en van de luthersche leer, waartoe hij van landgraaf Willem van Hessen de hulp verzocht van den lutherschen predikant Zeil uit Treysa, die echter nog vóór zijn reeds afgesproken komst overleed. Men hoopte van zulk

Sluiten