Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dit merkwaardige geschrift, in het Fransch opgesteld, in het Nederlandsch, Engelsch en Duitsch vertaald, is in opdracht van den Prins in hoofdzaak samengesteld door den ook hem welbekenden hugenootschen staatsman, theoloog en publicist Hubert Languet, die daartoe door hem uit Straatsburg naar Dillenburg was ontboden en er de tweede helft van Maart doorbracht om er met „aliquot alii", zegt hij, en natuurlijk onder toezicht en medewerking van den Prins zeiven het stuk uit te werken. Onder die „alii" zal ook Wesenbeke wel geweest zijn, die in dezen tijd 's Prinsen groote publicist is geworden. Het is een krachtig en voortreffelijk geschreven protest met een overzicht van 's Prinsen werkzaamheid in de Nederlanden sedert 's Konings vertrek, in het bijzonder uitvoerig handelend over de voorvallen van 1566.

Het begint met een schildering van den treurigen toestand der Nederlanden na den laatsten Franschen oorlog, waaruit die landen zich bij goed beheer en voortdurenden vrede gemakkelijk hadden kunnen opheffen onder een Koning, „redoubté et crainct des estrangiers et revéré et aymé de ses subjectz". Maar hoe anders is dit uitgekomen! Hoe groot is de schuld van hen, die „ont empesché cestuy bien et félicité et dissolu ceste union et diverty ceste affection"! Die schuld wordt nu in de indaging op Oranje geworpen, op zijn matelooze eerzucht, zijn onverzadelijke begeerte naar gezag en rijkdom. "Wat had hij dan gedaan? Hij had aangedrongen op matiging der bloedplakkaten, die de hoofdoorzaak waren van de toenemende ontevredenheid; hij had zich alleen op dringend verlangen des Konings bereid verklaard zijn herhaaldelijk nedergelegden post als lid van den Raad van State, ja al zijn posten telkens weder te bekleeden. Zijn dit bewijzen van toomelooze eerzucht en begeerte naar macht en rijkdom? Die waren veeleer te vinden bij Granvelle, den jaloerschen tiran, die Renard en vele anderen had zoeken 'te verwijderen om alle autoriteit in den lande aan zich alleen te trekken, terwijl Oranje en de zijnen daarentegen nog in 1566 de landvoogdes met moeite hadden overgehaald om zich niet door de vlucht naar Mons aan de leiding der zaken te onttrekken en die daarmede aan hem over te laten, terwijl hij zelf bij de voorstellen tot hervorming van den Raad van State zijn eigen persoon verontschuldigd had en zich wederom geheel uit de regeering had willen terugtrekken. Tegen Granvelle, tegen een Spaansch gouvernement, steunend op Spaansche troepen, had hij zich wel verzet en vooral tegen de inqui-

Sluiten