Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sitie en de strenge plakkaten, zoo schadelijk en zoo strijdig met de volksmeening in de Nederlanden, een gebied, omringd door van het oude geloof afgevallen of zoo goed als afgevallen'staten.

Dan volgt een lange beschouwing over den strijd der Grooten tegen Granvelle en diens noodlottige politiek, diens creaturen en diens wanbestuur, over de zendingen van Montigny en van Egmond naar Spanje de kwestie der invoering van de nieuwe bisdommen, de inquisitieplannen. Daarna gaat hn over tot de beschuldiging omtrent opruiing van den adel en van deelneming aan, ja leiding van het Compromis, dat hij wel nooit als een daad van rebellie en samenzwering had beschouwd ? maar ook aanvankelijk niet als „le vray moyen" had willen zien of goedkeuren en ten slotte slechts in de goede banen van gehoorzaamheid had willen leiden. Ook de landvoogdes had met hem en de zijnen tot op den Beeldenstorm in die richting samengewerkt, oogenschijnhjk zeer tot tevredenheid der landvoogdes, ja des Konings zeiven, die hem immers nog in dien tijd schriftelijk meermalen hadden geprezen en zijn aanbod tot terugtreden uit zün posten onder de vriendelijkste woorden herhaaldelijk hadden afgeslagen. Zoo had hij ook den lof van beiden geoogst over zijn optreden tegen de beeldstormers zelf, zjjn herstel der orde te Antwerpen en in zijn noordelijke gouvernementen.

Maar juist toen was hij herhaaldelijk uit Spanje gewaarschuwd tegen 's Konings werkelijke plannen, ook vooral door de in zün handen gevallen copieën van brieven van den Spaanschen gezant Alava te Parijs aan de landvoogdes, waarin hijzelf, Egmond en Hoorne als strafschuldig waren aangewezen, waarin was geraden om den geschikten tijd af te wachten en intusschen „tenir toute bonne mine" tegenover hen. Sedert waren de heeren; hij in het bijzonder, op hunne hoede geweest maar nooit had hij — zoo zegt hij — met ben en met den graaf van Hoogstraten te Hoogstraten en Dendermonde geraadpleegd, reeds toen„ over gewapend verzet tegen den Koning. Over Brederode's versterking van Vianen, waartoe hij dezen de vergunning had gegeven, ook omdat Brederode souverein heer van die stad was, spreekt hij uitvoerig. Hij verdedigt zich eveneens uitvoerig tegen de beschuldiging van pogingen te hebben gedaan om tegenover den Koning Zeeland van Antwerpen uit te bezetten en tegen die omtrent zijn laatste verblijf in die koopstad en het toestaan der prediking aldaar. Hij eindigt met een welsprekend

Sluiten