Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den voortvluchtigen Duitschen graaf, den „heimelijken ketter", die zijn „volgers en geloofsgenooten" niet had willen of durven leiden in de pas afgeloopen crisis en daardoor, ook naar de meening van zeer velen onder henzelven, voor hun ongeluk verantwoordelijk was te achten.

Was het denkbaar, dat Alva de zege niet zou behalen en zijn tegenstander, mét allen, die het wagen zouden hem nóg te steunen, te verpletteren, gesteund als de landvoogd werd door de krachten van het machtige Spaansche wereldrijk? Zoo dacht men in het voorjaar van 1568. Maar de uitkomst zou anders zijn. Het zou een bittere kamp worden, maar niet de groote veldheer zou overwinnen.

Ook tot den Keizer en de Duitsche vorsten richtte Oranje zich nog in het bijzonder om hun steun te verkrijgen tegen Alva's beschuldiging. Maar bij deze papieren verweermiddelen wilde de Prins het niet laten. De betrekkingen zijner broeders Lodewijk, Johan en Adolf met Duitsche legeraanvoerders in 1566 en 1567 konden thans zonder schroom onder zijn krachtige medewerking en leiding worden voortgezet met het doel om, in tegenstelling met den aanvankelijken raad van keurvorst August en landgraaf Wilhelm, gewapenderhand in de Nederlanden tegen Alva's leger op te treden en er met hulp van goedgezinde Nederlanders een formeelen opstand tegen Alva's gezag te verwekken. Zelfs op geheimen steun van Megen hoopte men te mogen rekenen.

Het reeds aanzienlijk versterkte Dillenburg werd het middelpunt van deze toerustingen, waartoe de Prins en zijn broeders, met name graaf Johan, hun zilverwerk en kleinodiën — de eerste had uit de Nederlanden vrij wat daarvan medegebracht — te Frankfort bij joodsdie geldschieters verpandden. Ook de Duitsche bloedverwanten van het Huis Nassau stelden heel wat geld beschikbaar. De keurvorst van de Paltz hielp met ƒ45000, waarvoor graaf Johan hem het ambt Siegen in pand gaf. Uit Antwerpen verscheen 14 April te Dillenburg verder een gezantschap van „quelques gens de bien, amateurs de la patrie"; zij beloofden, als de Prins zijn zilverwerk naar de munt wilde zenden „pour servir a. la nécessité présente", hem het dubbele der waarde te willen uitkeeren, zoodra de godsdienstvrijheid gelijk die — volgens het accoord van 23 Augustus 1566 — vóór 's Prinsen vertrek hier*en

Sluiten