Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daar in de Nederlanden bestaan had, zou hersteld zijn. Men toont nog bij den voormaligen ingang van het slot den lindeboom, waaronder de Prins de afgezanten zal hebben ontvangen. De Prins stemde 24 April toe maar vroeg wegens het onvoldoende zijner bezittingen „pour commencher et entreprehdre ung si grand faict", dat een tiental Antwerpsche kooplieden, onder wie de vermogende Portugees Marco Perez, borg zouden spreken voor het bijeenbrengen van 600000 goudguldens binnen uiterlijk een half jaar. Hij wendde zich ook tot de uitgeweken Nederlanders te Emden, in het Kleefsche en elders om steun en hulp, in het bijzonder ook tot hen, die naar Engeland gevlucht waren, en, langs allerlei geheime wegen, zelfs tot eenige steden in Holland en. Friesland, waarheen hij in diep geheim den uitgeweken Lèeuwarder advocaat Johan Basius had gezonden.

Op deze wijze verkreeg hij ten slotte meer dan 200000 daalders, waarvan hijzelf 100000 gulden, Hoogstraten 30000 uit diens te Keulen verpande kostbaarheden, zijn broeders Johan en Lodewijk, Culemborg, Van den Bergh, Nieuwenaar en vele andere edelen bedragen bijeenbrachten, te zamen de helft der geheele som, terwijl de Nederlandsche uitgewekenen, wier kapitaalkracht natuurlijk niet al te hoog kon aangeslagen worden, de andere helft beloofden op te brengen. Ook van de Hugenoten in Frankrijk, waar 23 Maart door den vrede van Longjumeau tijdelijk een einde aan den godsdienstoorlog gekomen was, kon thans hulp in geld en troepen verwacht worden. Zelfs steun van de Fransche regeering zelve was niet ondenkbaar, nu Condé, de „roi Huguenot", bij den jongen koning Karei IX en diens moeder Catharina de Medicis een grooten invloed had gewonnen.

Ook op de medewerking van koningin Elïzabeth van Engeland, die zich totnogtoe ten opzichte van de woelingen in de Nederlanden, volgens hare van den aanvang af gevolgde politiek tegenover het machtige Spanje en de nog talrijke Katholieken in haar land, voorzichtig ter zijde gehouden had, meende Oranje meer dan vroeger te mogen rekenen: de komst van Alva had Elizabeth beducht gemaakt voor pogingen van Spaansche zijde ten behoeve van hare nog in gevangenschap gehouden katholieke mededingster, Maria Stuart. Zij wilde bovendien geen machtig Spanje in de Nederlanden. Oranje's gezant, Jeröme Tseraerts, had een brief aan de Koningin bij zich; zij ontving hem welwillend, evenals haar minister Cecil, weldra lord Burleigh, deed.

Sluiten