Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Elizabeth antwoordde in nog voorzichtige termen. De inzamelingen voor den Prins bij de Nederlandsche gemeenten aan de zuid-oostkust van Engeland door diens Nassauschen agent Spenckhausen, later door den edelman van het Compromis De Lumbres en den Gentschen oudschepen Jan van Hembyze gehouden, werdén echter reeds door de Engelsche regeering oogluikend toegelaten. De Prins rekende ook op die oogluiking voor de plannen, die hij had gemaakt ten opzichte van de talrijke uitgewekenen, die in de Noordzee sedert eenige jaren zich op de zeerooverij hadden geworpen, als „Watergeuzen" zich een gevreesden en beruchten naam hadden gemaakt en in de Engelsche havens aan de oostkust en langs het Kanaal heimelijk steun en toevlucht hadden gevonden.

Zoo kon het bijeenbrengen der troepen spoedig een aanvang nemen. De Prins gaf daartoe den April commissie aan zijn broeder

Lodewijk, aan Culemborg, Van den Bergh en andere met hem verbonden Nederlandsche edelen, voormalige leden van het Compromis. Een Kleefsch edelman, ook voormalig lid van het Compromis, Diederik Sonoy, belastte zich met het verzamelen van een aantal uitgeweken edelen in dat gebied, waarheen de Prins zelf zich 17 April over Keulen begaf om er het oog te houden op de voorbereiding der expeditie naar de Nederlanden van dien kant uit. Een aanbod van hertog Johan Casimir, zoon van den keurvorst van de Paltz, om hem met diens in Frankrijk losgekomen troepen persoonlijk te komen helpen wees hij af gelijk hij vroeger reeds de hulpverleening van de zijde van paltzgraaf Georg Johan had afgewezen, naar zijn voorgeven uit gebrek aan geld en voorraden voor zooveel troepen, maar blijkbaar om zich niet al te nauw te verbinden met deze calvinistische vorsten, die door de luthersche nog steeds met wantrouwen en ergernis werden bejegend. Intusschen waren hij en graaf Lodewijk er wel op uit om de Duitsche en Waalsche troepen, die uit Frankrijk kwamen, voor zichzelf te werven.

Snel ging alles thans-in het werk. Reeds den 20sten April trok de heer van Villers, 's Prinsen hofmaarschalk, die den ziek geworden Hoogstraten vervangen had, uit het Guliksche, het land der landsknechten, met een nog slecht gewapende bende van ongeveer 2000 man naar de Maas om er met Van den Bergh, die zich te Weert op Hoorne's kasteel had genesteld, in Brabant te vallen, zoodra er genoeg troepen bijeen zouden zijn. Villers' bende werd echter op Luiksch gebied door

Sluiten