Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

loopen schermutselingen (15 juli) trok Lodewijk haastig voor diens overmacht terug naar de Eems maar werd daar (21 Juli) bij Jemmingen totaal verslagen en redde nauwelijks zijn leven door over de rivier te zwemmen. Hij trok de treurige overblijfselen van zijn leger nog in Oostfriesland samen, hopend op de hulp van de in de Noordzee roovende Watergeuzen, aan wie hij in naam van zijn broeder op 1 Juli naar hugenootsch voorbeeld enkele kaperbrieven had verstrekt, of zelfs van Engelsche zijde. Hij ontbond echter in September, wachtensmoede, zijn nog overgebleven troepen en begaf zich met slechts weinige ruiters naar het intusschen bijeengekomen leger van den Prins. De Watergeuzen, die onder aanvoering van Sonoy Alva's vloot onder Boshuyzen {7 Juli) op de vlucht hadden gedreven, gingen weder hun eigen weg.

Totnogtoe waren de groote plannen deerlijk mislukt en ook in de Nederlanden waagde niemand het nog het hoofd op te steken. De eenige hoop was gevestigd op den Prins zeiven en het door hem langzaam bijeengetrokken leger, ondanks 's Keizers uitdrukkelijk verbod van 12 Mei, door keurvorst August hem overgebracht, om troepen in het Rijk te lichten met bedreiging van straf als landvredebreker. In het begin van Juni had hij te Straatsburg, waar hij 5 Juni was, en daarna te Heidelberg (8 Juni) een groot deel der uit Frankrijk teruggekeerde troepen van Johan Casimir voor dat leger geworven. De landgraaf van Hessen echter ried na Lodewijk's nederlaag den Prins niet verder te gaan met zijn „unbefugte Kriegswesen" en riep zijn maarschalk Von Rolshausen uit 's Prinsen dienst terug; zelfs graaf Willem van den Bergh, zijn zwager, gaf den moed op en begaf zich naar Keulen, zijn kasteel op de Geldersche grens thans met de zijnen verlatend.

Maar de Prins, in Juli weder veilig te Dillenburg teruggekeerd, dacht er niet aan den voorgenomen grooten veldtocht op te geven en werd daarbij door Hoogstraten en graaf Lodewijk krachtig gesteund. Wat tot nu toe was voorgevallen, mocht over den uitslag zijner pogingen niet beslissen. Villers, Cocqueville en graaf Lodewijk hadden ten slotte slechts met samengeraapte en onvoldoend uitgeruste benden hunne ondernemingen gewaagd; de zijne zou op grooter schaal en zonder overhaasting worden voorbereid zooals het een ervaren krijsman paste. Hij was „délibéré avecq 1'ayde de Dieu de

Sluiten