Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet bestreden en zelfs bij den Koning nog in Augustus aangedrongen op zachtheid en op goede „nabuurschap" met het Duitsche Rijk, waar Oranje en zijn zaak machtige beschermers vond en steeds meer aanhangers verkreeg.

Met kracht had Oranje zijn toerustingen voortgezet. In Juli had hij reeds 13000 man bijeen; op de monstering (1 Sept.) te Romersdorff in het Triersche bedroeg zijn leger niet minder dan 14000 man Duitsch voetvolk, 8000 Duitsche ruiters en 4000 Walen. Hoogstraten, de graven Johan en Lodewijk van Nassau, Günther van Schwarzburg, Joost van Schauenburg en een aantal nog overgebleven edelen van het Compromis: Batenburg, Boxtel, Sonoy, Lumey (graaf van der Marck), Rysoir, De Hames en anderen, voegden zich bij hem. Ook de Hugenoten beloofden hem van Frankrijk uit wederom te zullen helpen. Met hunne aanvoerders,-Condé en Coligny, trad hij door middel van De Lumbres thans in onderhandeling over een verbond tot handhaving der godsdienstvrijheid zoowel in Frankrijk als in de Nederlanden. Naar Engeland zond hij Adriaanvan Bergen, heer van Dolhain, om opnieuw den steun der Engelsche regeering te vragen en in ieder geval inzameling van gelden onder de Nederlandsche uitgewekenen te bewerken.

Voordat hij naar de Maas oprukte om in Brabant door te dringen zond hij twee nieuwe geschriften de wereld in. Een brief van 31 Aug. en de „Waerschouwinge" of „Advertence" van 1 September, waarin hij, onder de op den titel en aan het slot gedrukte leus: „pro lege, fege et grege", de bevolking der Nederlanden in krachtige termen opriep hem te helpen in den strijd tegen de „Albaansche tirannye", die pok in snel verspreide kortere stukken van denzelfden aard, weder grootendeels aan Wesenbeke toe te schrijven, aan de kaak werd gesteld. „De Prins van Orangien is te velde, gecomen, Vive le Geus!" klonk het vol hoop: „wij blijven Geus".

Bij St. Veit, niet ver van Andernach, trok hij over den Rijn en van daar door Keulsch en Guliksch gebied naar het slot Limburg, dat hij bezette, om vervolgens stand te houden te Kerpen aan de Geule, misschien om Aiva, die bij Haren aan de Maas zijn hoofdkwartier had gevestigd met ongeveer 24000 man en van daar het oog hield op Maastricht en Roermond, in onzekerheid te houden omtrent zijn veldtochtsplan, misschien ook wegens het geldgebrek, dat hem reeds begon te hinderen. Een hevig oproer der met elkander oneenige Walen en Duitschers kon

Sluiten