Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het getuigt ook: „myn schilt ende betrouwen zyt ghy, o Godt myn Heer; op U soo wil ick bouwen, verlaet my nimmermeer"; het wijst op de bemoedigende kracht van het gebed als het groote redmiddel ook in dezen nood. Oranje's „princelick ghemoet" is bij dit alles „stantvastich gebleven", steunend op zijn goed recht, zonder den Kpning te „verachten", den „Coninck van Hispaengien", dien hij wederom zegt „altyd gheeert" te hebben maar boven wien hij „Godt den Heere, der hoochster Majesteyt" had „moeten obedieren inder gherechtichey t".

Dat was de stemming, waarin Oranje, verslagen en verarmd, door zijn vijanden bespot en geminacht, door zijn vrienden beklaagd, in den aanvang van 1569 verkeerde, gebogen maar njei voorgoed en met vertrouwen op de toekomst, hoe duister die ook scheen.

Sluiten