Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(3 Oct. 1569) en trok, als boer vermomd, met slechts vijf metgezellen opnieuw dwars door Frankrijk en midden door de koninklijke legers heen over La Charité en Montbéliard naar den Rijn. Wij vinden hem 11 November weder op den Dillenburg terug.

Daar trof hij zijn gemalin niet aan. Zij had zich in den laatsten tijd weder hoogst zonderling gedragen en hem niet ter zijde gestaan in zijn ongeluk noch hem den troost gegeven, waarop hij als echtgenoot recht meende te hebben, want „il n'y at chose en ce monde qui donne plus de consolation que de se voir consoler par sa femme", schrijft hij haar week. Thans weigerde zij hem, vluchteling als hij was, zoodat hij zelfs geen steden waagde te bezoeken, naar Dillenburg te komen. Zij had hem geraden in Frankrijk of Engeland hulp te zoeken. Hij antwoordt: ik heb niet te kiezen, waarheen ik zal gaan, doch af te wachten, waar men „nous vouldra recepvoir". Zijn eenige heil bestond volgens zijn vrienden in rondzwerven, vandaag hier, morgen daar, opdat Alva's agenten, die hem achtervolgden, hem niet zouden vinden. Hij zou den volgenden dag, schrijft hij, weder van Dillenburg vertrekken maar kon niet zeggen, wanneer hij terug zou komen, zijn lot en zijn „vie en misères et travaille" in God's hand stellend.

De Prinses was toen te Keulen gevestigd en deed van hier uit bij Alva moeite om uit de in beslag genomen goederen van Oranje de bij het huwelijk haar beloofde „weduwgoederen" voor zichzelve en hare eigen kinderen teruggegeven te krijgen. Zij dacht er zelfs aan met dat doel alleen naar de Nederlanden terug te gaan. Maar de Prins verbood haar dit, zoowel om de kosten van twee huishoudingen als om hare aanstaande bevalling. Zij bleef intusschen van haar kant weigeren bij haren man te komen, wat hem nog meer bedroefde dan de vele „andre leichtfertige Sachen", die zij zich aanhoudend in het hoofd placht te stellen.

Hij begaf zich thans naar Arnstadt in het gebied van zijn zwager, graaf Günther van Schwarzburg, dieper Duitschland in, waar hij veiliger scheen dan te Dillenburg, immers minder onder het bereik zijner vervolgers en zijner schuldeischers van den veldtocht van 1568, die hem geen rust lieten. Ongelukkiger kón zijn toestand moeilijk worden. Die schuldeischers en de vertegenwoordigers zijner afgedankte soldaten dreigden hem, overeenkomstig de voorwaarden bij de ontbinding van zijn leger, in een of andere stad te gijzelen. En van 's Keizers zijde

Sluiten