Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

partij, de „preciesen", de heftigen, wier bittere ergernis hij in zoo sterke mate in 1567 te Antwerpen had gewekt. Ook hen wekt hij" thans op om hem te helpen tot „wederoprechtinge des suyveren goddelickèn dienst in de Nederlanden" gelijk tot verlossing dier landen uit „ghewelt ende tirannie". In Engeland, waar 's Prinsen stalmeester Tseraerts weder in gelijken' zin als vroeger Dolhain werkzaam was, waren vaste maandelijksche contributiën „in forme van leeninge" ingesteld, geheven van rijk en arm, „van een yder naar sijn vermogen ende qualiteyt, van edelen en ryken tot leerjongens en arbeiders toe". Op dezelfde wijze werden thans door een viertal commissarissen de consistoriën der uitgeweken Calvinisten te Keulen, Wezel en Duisburg aangezocht om ook daar maandelijksche collecten in te stellen; de bijeengebrachte sommen zouden worden beheerd door de kerkelijke autoriteiten, terwijl 's Prinsen ontvangers ieder een „recepis" van het geleende zouden uitreiken; die sommen zouden tegen het oogenblik, dat hij'wérkelijk optrekken zou, aan hem worden afgedragen.

f" Merkwaardige toenadering van Oranje tot de Calvinisten, wier hulp /én medewerking hij in 1566 en nog later niet had gewild uit minachting en uit vrees, ook voor zijn luthersche bondgenooten in Duitschland! Zijne meening te hunnen opzichte was blijkbaar thans veranderd, sedert hij de Hugenoten nader had leeren kennen en had gezien, hoevéél kracht hun stoer geloof kon ontwikkelen. Reeds in 1569, zoo luidde een latere traditie in de familie van den predikant Polyander, zou hij te 'Heidelberg, waar hij zich inderdaad in het voorjaar van 1569 korten tijd bevonden heeft aan het hof van keurvorst Frederik van de Paltz, in allen vorm zijn overgegaan tot het Calvinisme, welks leer hem door dén toen teFrankenthal als predikant werkzamen Polyander in „colloquia" zou verklaard zijn — een traditie, die in ieder geval te veel zegt, want nog in 1571 noemde zich de Prins bepaald luthersch. Het is-intusschen wel aan te nemen, dat Polyander in dien tijd met den Prins in aanraking is geweest en met hem over de hem feitelijk nieuwe calvinistische leerstukken heeft gesproken. Dan kan de Prins ook zeer wél door middel van Polyander tot andere gedachten over die leerstukken gekomen zijn. Een uiting van Marnix omtrent 's Prinsen gevoelens tegenover het Calvinisme in het voorjaar van 1571 wijst niet op een reeds geschieden overgang doch alleen op de ons bekende toenadering tot de Calvinisten. Calvinistische predikanten als Taf fin vinden wij overi-

Sluiten