Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gens reeds in het voorjaar van 1567 in zijn omgeving en van Du Jon en Saravia weten wij, dat zij op den veldtocht van 1568 bij hem, ten minste in zijn leger waren, blijkbaar ten behoeve der calvinistische soldaten en aanvoerders.

Die toenadering is dan in het .voorjaar van 1570 zeer innig geweest. Als in April de uitgewekenen te Emden het plan opvatten om zich om hulp te wenden lot het Rijk, tot den Rijksdag te Spiers, treden zij met hem in overleg over dit plan en. trachten, tusschen de verschillende uitgewekenen in de Duitsche steden samenwerking te verkrijgen ten einde onder zijn leiding een apologie van de calvinistische werkzaamheid in de Nederlanden samen te stellen. Dit plan mislukte wel, maar de Prins is sedert vooral met de paltzische Calvinisten in nauwe verbinding.

In den zomer van 1570 zien wij den Prins te Dillenburg, te Stegen, te Arnstadt druk met het vermelde werk van organisatie van calvinistische en niet-calvinistische elementen bezig. Wesenbeke, de schrijver van de beroemde „Description de 1'estat, succes et occurrences, advenues au Pats Bas- au faict de la Reiigion" van Augustus 1568, was zeker een^der tusschenpersonen ook hier. En tegelijk zien wij hem weder werken aan de bezwaarlijke reorganisatie der woeste Watergeuzen, die niets en niemand ontzagen.

Hij had tot dit laatste doel zijn trouwen aanhanger en medestrijder De Lumbres, die ook in het voorjaar van 1568 daarmede bezig geweest was, weder naar Engeland gezonden, met Tseraerts en den te Emden gevestigden prinselijken commissaris Johan Basius, vroeger advocaat te Leeuwarden, als helpers. Wij vinden Lumbres daar in het laatst van 1569 weder als 's Prinsen gevolmachtigde voor het bijeenbrengen van gelden voor de groote onderneming, die, naar men hoopte, het volgende jaar kon worden gewaagd. Tseraerts verscheen er weder in April 1570 en trachtte er de Watergeuzen tot het beoogde doel voor te bereiden. Vooral de kardinaal de Chatillon, broeder, van Coligny, had erop aangedrongen hen beter onder bedwang te houden, daar ook de Engelsche regeering hunne zeercoverspraktijken niet langer zou kunnen dulden. In Augustus 1570 werd Lumbres, eindelijk hun admiraal, nadat Dolhain en diens broeder wegens het niet afdragen van de buitgelden en andere onregelmatigheden ter zijde waren gesteld. Een „artikelbrief bond hem en de zijnen voortaan aan een instructie, die

Sluiten