Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook Gorkum en het sterke maar zwak bezette Loevestein werden in het oog gevat om de Maassteden en Dordrecht te kunnen bereiken. Sonoy en zijn ijverige medewerker Godfried van Haastrecht, heer van Drunen, ook Wessels kwamen naar Dillenburg in het begin van October en brachten met Wesenbeke te Wezel het noodige wapentuig in gereedheid, alles in het diepste geheim, want Alva's stadhouder Megen begon in Gelderland iets te vermoeden en zijn maatregelen te nemen.

Maar op het einde van diezelfde maand klaagt de Prins weder ernstig over den nog steeds geringen ijver der calvinistische consistoriën voor het bijeenbrengen van geld en over de onzekerheid van allerlei toezeggingen. Eerst moet hij toch geld hebben om troepen te kunnen werven en geld hadden deze arme Calvinisten niet voldoende. Kon hij daarover beschikken, dan eerst zou het tijd zijn om Deventer, Zutphen, Kampen en Zwolle te bemachtigen, waarvoor hij het oog had op zijn in Gelderland welbekenden zwager graaf Van den Bergh en den heer Van Merode van Rummen. Maar geld moet er zijn en de geringe bijdragen, die inkomen, schrijft hij nog in November, zijn „une pure mocquerie". Onder de medewerkers was ook zekere Herman de Ruyter uit 's Hertogenbosch, die als ossenkooper den Bommelerwaard goed kende en geschikt scheen voor het wagen eener onderneming op Loevestein; de dappere krijgslieden Lumey, graaf Van der Marck, en Dirk van Bronkhorst, heer van Batenburg, boden zich met anderen aan. De aan zijn hof verbonden edelman uit Oranje, Francois De Virieu, hielp den Prins bij diens onderhandelingen met genoemde edelen.

Eindelijk scheen er dan toch iets werkelijks te kunnen gebeuren. In December was Wesenbeke gereed voor een onderneming op de Rijn- en IJselsteden, waarbij Wessels den aanslag op Deventer en de moedige De Ruyter dien op Loevestein voor zijn rekening zou nemen. Zelfs de gouverneurs voor verschillende in te nemen plaatsen warert aangewezen; Wesenbeke, Huchtenbroek en de gewezen Gorkumsche burgemeester Van den Hoevel zouden hen namens den Prins beëedigen. Er was reeds een legertje onder Van den Bergh bijeen aan de Geldersche grens. Als nu de Watergeuzen van Sonoy en Basius, welke beiden intusschen met elkander twistten, maar gereed waren! Doch daaraan ontbrak veel, ook door de tegenwerking van den graaf van Oostfriesland, waarvoor de welgezinde drost van Emden,

Sluiten