Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zich herhaaldelijk bij haar, zoodat men haar weldra als een krankzinnige moest beschouwen en behandelen.

De Prins zette in 1571 zijn voorbereiding van een ernstigen aanval op de Nederlanden onvermoeid voort. Wesenbeke, nog steeds hopend op eenig resultaat van de voorzetting der betrekkingen met Nederlandsche uitgewekenen en ontevredenen, blijft werkzaam, al blijkt de Prins* steeds minder op dat resultaat te rekenen en vermaant hij ook zijn tróuwen dienaar telkens zich niet te veel daarvan voor te stellen met het oog op het geringe succes der „affaires passées"; hijzelf is in den loop van 1571 met omvangrijker en veel meer belovende plannen bezig. In dezen tijd zal men de groote verpanding moeten stellen van 's Prinsen zilverwerk, kleinoodiën en tapijten, voor het meerendeel oud Nassausclr bezit, uit Breda medegevoerd, die in Januari 1572 door graaf Johan zijn gelost om de reputatie van den Prins en de Nassau's niet te comprömitteeren. Zoo liet hij noch Wesenbeke's plannen noch die der Watergeuzen geheel los en trachtte, nu Lumbres evenmin als Dolhain aan de verwachtingen beantwoordde, door een vermeteler aanvoerder, Lurhey, de orde onder hen te handhaven, maar hun zware néderlaag op 23 Juni in den mond van de Eems, waar de Hollandsche admiraal Boshuyzen hen uit elkander joeg, even vóór Lumey's optreden als Geuzenadmiraal, toonde, hoe weinig zij vermochten tegen reen geregelde scheepsmacht. Lumey zelf bleek spoedig weinig meer geschikt voor het beoogde doel dan zijn voorgangers.

Maar veel meer scheen er te verwachten van de zijde der Fransche regeering, die op 8 Aug. 1570 te St Germain weder vrede met de Hugenoten had gesloten, hun La Rochelle en drie andere steden als „places de süreté" had ingeruimd en aan Oranje zijn door de katholieke troepen bezet prinsdom en zijn bezittingen in Frankrijk had teruggegeven; ja de Koning had hem en zijn broeder Lodewijk, die zich als aanvoerder onder de Hugenoten een grooten naam had verworven, verklaard te zijn „ses bons parens et amis".

Koning Karei IX, jong als hij was, verlangde toen heftig naar een oorlog met Spanje en rekende daarbij op de hulp van de Hugenoten, van Oranje, van de Duitsche protestantsche vorsten, van koningin Elizabeth, van Spanje's vijanden in Italië. Huwelijksverbintenissen tusschen den hertog van Anjou, 's Konings broeder, en Elizabeth, tusschen den hertog van

Sluiten