Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Navarre, in hooge gunst bleef staan, gaf den moed niet op; hij bleef voortdurend bezig om Oranje en het Fransche hof en tevens de Hugenoten en den Koning>met elkander in verbinding te houden; hij was de voornaamste tusschenpersoon tusschen de hoven van Frankrijk en Navarre bij de onderhandelingen over het huwelijk van den jongen koning Hendrik van Navarre, den lateren Hendrik IV, met Marguérite de Valois. Zoo bleven in den winter van 1571 op 1572 deze plannen nog steeds aan de orde en wist graaf Lodewijk ook de betrekkingen met Engeland weder aan te knoopen. De komst van koningin Jeanne van Navarre, vergezeld van graaf Lodewijk, op 4 Maart 1572 aan het Fransche hof te Blois was een belangrijke zegepraal voor zijn omvangrijke combinatiën, waarover hij met Oranje steeds in correspondentie bleef, een correspondentie, waarvan ons intusschen bijna niets is overgebleven. In het begin van April werd het huwelijk tusschen Navarre en de zuster van Karei IX definitief tegen den zomer vastgesteld. Ongeveer in denzelfden tijd kwam het plan op de Nederlanden werkelijk zoo ver, dat koning Karei IX geld en krijgsbehoeften ter beschikking van graaf Lodewijk stelde om met Coligny in Picardië de veel besproken onderneming te leiden.

Juist toen had in de Nederlanden zelf een onverwachte gebeurtenis plaats.

De Prins had, terwijl graaf Lodewijk -in Frankrijk zoo ijverig zijn belangen behartigde, te Dillenburg zijn betrekkingen met de Nederlandsche uitgewekenen zoowel als met de ontevredenen, die in het land gebleven waren, geen oogenblik verwaarloosd: „1'oreille au vent et 1'oeil au guet", was zijn leus in dezen tijd.

Wilde hij met die uitgewekenen iets tot stand brengen, dan moest hunne onderlinge samenwerking allereerst worden verkregen. Hij bediende zich daarbij in de eerste plaats van Marnix, die nooit opgehouden had om te strijden voor eenheid onder de verschillende gemeenten en thans als zijn afgevaardigde gezonden werd naar de provinciale synode te Bedbur in het Geldersche (Juli 1571), ter voorbereiding eener algemeene synode. In die synode wenschte de Prins echter weder vooral de vraag beslist te zien, of het niet mogelijk zou zijn een zoodanige algemeene confessie samen te stellen, dat de vereeniging met de Protestanten der Augsburgsche Confessie zoowel als met de Hugenoten zou kunnen worden verkregen. Het oude denkbeeld weder.

De „generale synode", al mag zij dien naam niet ten volle dragen,

Sluiten