Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bedreigingen van Engelsche zijde om ze uit de Engelsche havens te verdrijven volgens den herhaalden- eisch van den Spaanschen gezant te Londen namens zijn Koning en Alva. Nog 21 Februari vaardigde Elizabeth een scherp edikt uit, waarbij Lumey voor de zooveelste maal werd aangemaand uit hare havens te vertrekken. Hij deed dit schijnbaar in het begin van Maart maar zwierf weldra weder rond op de Engelsche kust aan den ingang van het Kanaal. Op het einde der maand werden zijn schepen nog steeds in het Kanaal waargenomen,

heinde en ver roovende en den geroofden buit als vroeger verkoopende in de Engelsche havens, terwijl zijn kapiteins zich zelfs niet ontzagen openlijk op de Londensche Beurs te verschijnen. Den 28sten koerste hij op een nieuwen zwerftocht naar de Hollandsche kust bij Egmond, werd door tegenwind naar de Maas gedreven en ankerde 1 April voor Den Briel. Door den veerman Coppestok onderricht, dat die stad geen garnizoen had, waagde hij een aanslag op haar, die werkelijk gelukte. Na geplunderd te hebben in de stad en den omtrek maakte hij zich gereed om weder onder zeil te gaan, toen zijn onderbevelhebber Bloys van Treslong hem overhaalde in de bemachtigde plaats

te blijven en haar voor den Prins in bezit te nemen.

Het was het begin van den grooten ommekeer in het leven van Oranje, die aanvankelijk de onderneming van den Watergeus, begonnen „a mon desceu et sans aulcune charge mienne" heeft afgekeurd en op het bericht daarvan niet in het minst geneigd was „de se bouger". Ook graaf Lodewijk was ernstig verontwaardigd over den veel te vroeg gepleegden aanslag dezer „sots, qui se sont trop hastés et n'ont voulu me croire"; hij wierp op het bericht zijn hoed driftig op den grond. Geen van beiden achtten de zaak van eenig werkelijk belang evenmin als Alva, die met een achteloos „no es nada" (het is niets)

Naar een anonieme prent.

Sluiten