Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook in Brabant bleef, gelijk in 1568, uit evenals de beloofde hulp der Hugenoten, terwijl Alva's troepen reeds het platteland overstroomden en hem den 20Sten Juni kwamen belegeren onder het bevel van Alva's zoon, don Frederik.

De groote vraag was,- of Coligny, die weder naar Parijs gekomen was, den Koning zou kunnen overhalen nu openlijk den oorlog aan Spanje te verklaren ofwel hem en den Hugenoten de vrije hand te laten. Karei IX aarzelde, geslingerd tusschen de adviezen der voor niets terugdeinzende katholieke.partij en die der Hugenoten, aan zijn hof thans vertegenwoordigd door Coligny en anderen, onder wie Du Plessis-Mornay. De komst van Genlis uit het reeds door Alva bedreigde Bergen met een dringend verzoek om hulp deed den Koning eindelijk toestemming geven tot verdere uitrusting althans van een klein korps van 5000 man voetvolk en 700 ruiters ten einde graaf Lodewijk en den met een Duitsch leger spoedig in Brabant verwachten Prins van Oranje te helpen. Het was intusschen reeds einde Juni geworden, eer tot deze hulpverleening werd besloten.

Oranje -zelf had van Dillenburg uit in alle haast-het verzamelen van troepen voortgezet. Het had hem veel moeite gekost, want geldgebrek, de oude kwaal, belemmerde hem, zoodat hij „noch. voirwaert noch achterwaert en hebbe connen treden", zooals hij 8 Juli aan de Hollandsche steden schrijft. Uit den toon van dit schrijven blijkt duidelijk, dat ook thans de toegezegde gelden slechts spaarzaam vloeiden. Toch had de voormalige drost van Zevenbergen,. de op niet zeer eerlijke wijze tot een aanzienlijk vermogen gekomen Hollandsche jonker Arend van Dorp die reeds in 1568 heimelijk zijn partij had gekozen, bevreesd voor de ontdekking zijner praktijken in zake zijn curatorschap over de erfenis van Maximiliaan van Bourgondië, markies van Veere en Vlissingen, hem 12 Mei. heimelijk ƒ10000 ter leen gebracht, belangrijken grondslag voor verdere zendingen. Ook graaf Johan, die den veldtocht als een Nassausch belang aanmerkte en zijn onderdanen tot deelneming eraan verplichtte, en andere verwanten deden weder wat zij; konden, onder verpanding van goederen en onder beloften van allerlei aard, die het den Prins mogelijk, maakten Duitsche krijgsknechten aan te werven; uit Engeland kwam wederom een klein bedrag aan geld evenals van de uitgewekenen aan den Beneden-Rijn. Den 24slen Juni was de Prins nog te Frankfort om deze geldelijke zaken te regelen, den 29ste»

Sluiten