Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn krijgstocht ontving, moedigden hem aan om snel door te tasten, nu het begin zooveel beloofde.

Den iyden bereikte hij Roermond, hoofdstad van het Geldersche Overkwartier, dat echter weigerde hem de poorten te openen. Hij vestigde zijn hoofdkwartier eerst te AldeoWrehen, daarna te Hellenrade vlak bij de stad en sommeerde haar herhaaldelijk tot overgave maar zij weigeede, waarop hij haar bestormde en met gering verlies innam. Zijn troepen, die over ongeregelde betaling te klagen hadden, plunderden de veroverde stad, vooral kerken en kloosters, priesters en monniken niet sparend. Geldgebrek was reeds dadelijk 's Prinsen kwaal weder en met aandrang vroeg hij zijn broeder Johan, die intusscheh zijn getrouwe Nassauers tot een maandelijk$che opbrengst voor het leger verplicht had, hem toch te helpen. De te Dordrecht bijeengekomen Hollandsche Staten hadden hem nu beloofd dadelijk/200000 te geven en verder ƒ 500000 te zullen leenen om hem te steunen; maar dat geld had hij nog niet in handen evenmin als wat hem uit Engeland belooft! was en, als er geen geld kwam, zag hij geen kans zijn troepen een stap verder te krijgen Brabant in, wat toch zijn plan moest zijn. Reeds begonnen zijn aanhangers aldaar „half in desperatie" te komen ten gevolge van zijn lang „verbeiden".

Maar reeds waren de tegenslagen begonnen. Ófsohoon Alva de provinciën Holland en Zeeland voorloopig overliet aan de zorgen van den stadhouder Boussu, die echter van zijn hoofdkwartier Utrecht uit tegen Lumey's Geuzen weinig uitrichten kon; ofschoon Noircarmes in Gelderland den afval van den Achterhoek niet kon stuiten en de Geuzen van Vlissingen uit tot dicht bij Brugge en Gent plunderden, was hij in Brabant sterk genoeg om den Prins voorloopig met succes te bestrijden. Alleen Mechelen had hier openlijk 's Prinsen zijde gek«wn en slechts Leuven, Lier, Dendermonde en Vilvoorde hadden Alva's garnizoenen geweigerd. Er ontbrak inderdaad nog veel aan, dat de „zeventien provinciën", zooals het Geuzenlied uit die dagen vermaande, zich „ras op de voet" zouden „stellen" en den aanrukkende» Prins van Oranje „tegemoet" zouden „treden". Geen der Brabantsche en Vlaamsche steden bijna dacht eraan te „helpen verlogieren Ducdalve den tyran" en den Prins te erkennen als 's Konings „luytanant".

En er viel meer tegen. Genlis, die met het hugenootsehe legartje Alva uit Brussel had wijten verjagen, werd op zijn tocht tot ontzet van

16

Sluiten