Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kiezers mogen tellen, gold weliswaar vroeger ook, doch het aantal kiezers is met gemiddeld 40% toegenomen, en hieruit volgt vanzelf, dat er aanmerkelijk meer stemdistricten — eii dus ook stembureaux — moeten zijn.

Om die bureaux te bezetten, zal derhalve, in grooter mate dan tot dusver, een beroep moeten worden gedaan op de mede-werking van de ingezetenen (tevens kiezer), te meer, omdat elk stembureau voortaan niet uit 3- maar steeds uit 4 leden moet bestaan ; een hoofdstembureau en een centraal stembureau zelfs uit 5 leden. In navolging van enkele gemeentebesturen, die ook reeds onder vigeur van de oude kieswetbepalingen aan stembureauleden vacatie-gelden toekenden, zal in steeds meer gemeenten daartoe moeten worden overgegaan, om een voldoend aantal geschikte personen tot voltalligmaking der bureaux beschikbaar te hebben.

In „vogelvlucht" als 't ware is hiermede een overzicht gegeven van den komenden „gang van zaken" op electoraal gebied. Het zal den lezer vermoedelijk eenig denkbeeld aangebracht hebben van de veranderde wijze van kiezen zooals die voortaan zal plaats hebben, terwijl voor bijzonderheden en tot richtige uitvoering van de wettelijke voorschriften wordt verwezen naar de hierna volgende paragraphen.

§ 2. Kieskringen.

Alléén om het werk der verkiezingen te vergemakkelijken en zonder van invloed te zijn op de samenstelling van eenig regeeringslichaam, zijn er kieskringen in het leven geroepen.

Aantal.

Het Rijk telt er 18, welke in eene bij de kieswet behoorende tabel A zijn omschreven, (zie bijlage I). — De provinciën: Zeeland, Utrecht, Friesland, Overijssel, Groningen, Drenthe en Limburg vormen elk voor de verkiezing van leden der Tweede Kamer, een kieskring op zichzelf; en evenzoo de gemeenten Amsterdam, Rotterdam en 's Gravenhage, terwijl de provinciën Noord-Brabant, Gelderland, Zuidholland en Noord-^ holland — ongeacht de genoemde 3 plaatsen — twee kies-* kringen tellen.

Sluiten