Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

T ij d s t i p.

De stemming dan heeft plaats binnen 45 dagen na de candidaatstelling, op den dag, daarvoor door den Minister (onderscheidenlijk Gedeputeerde Staten en Burgemeester en Wethouders) vastgesteld.

Het tijdvak tusschen candidaatstelling en stemming is wel wat heel ruim genomen, doch zal in den regel weinig korter Zijn, omdat reeds vóór de candidaatstelling de dag der stemming moet zijn vastgesteld, en het moeielijk van te voren bekend kan zijn, hoeveel tijd noodig is voor het onderzoek der lijsten, voor de beslissingen ingeval van beroep, voor het verbinden der lijsten, enz.

Oproepingskaart, enz.

Elke kiezer ontvangt van den Burgemeester zijner woonplaats ten minste drie dagen te voren eene oproepingskaart, o.a. vermeldende de lijsten van candidaten in de volgorde harer nummering, en eene herinnering aan de verplichting om ter stembus te komen. (Zie bijlage VIII, op bladz. 63 en 64).

Van den dag der stemming enz-, geschiedt ook, (eveneens minstens 3 dagen te voren), in elke gemeente openbare kennisgeving.

De stemming wordt gelijkelijk gehouden in al de bij plaatselijke verordening aangewezen stemlokalen ; binnen elk stemdistrict is een lokaal, waar het stembureau van vier leden, waarvan één voorzitter is, zitting houdt.

Inrichting enz., stemlokaal.

De zorg voor de inrichting van het lokaal draagt de Burgemeester, en daarvoor zijn bij Kon. Besluit voorschriften gegeven.

De leden van het stembureau nemen zoodanig plaats, dat de kiezers, die zich in het lokaal mogen ophouden vóór eene over de gansche breedte op één Meter afstand van de tafel aangebrachte afsluiting, hunne verrichtingen kunnen gadeslaan. Behalve een tafel zijn in het lokaal nog lessenaars aanwezig ten gebruike van de kiezers.

Ter rechter- en linkerzijde van eiken lessenaar wordt een schut aangebracht, ter breedte van ten minste t, en ter hoogte van ten minste 2 Meter, en de lessenaar-zelf is ter hoogte van 1 tot 1.20 Meter ; het gebruik van aaneensluitende lessenaars is niet verboden.

Aantal lessenaars.

Het aantal — vroeger bepaald op 1 voof elk vol aantal van 200 kiezers — is in het vervolg 1 op elk vol 150 tal, één lessenaar méér dus op de duizend kiezers.

Deze verandering, waarbij vermoedelijk uitgegaan is van de

Sluiten