Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vinciën werden uitgevoerd, mocht niemand spreken van een armee te velde of van een veldleger. Men sneed zich daardoor den weg tot de oprichting van krijgsraden te velde af.

Het gevolg was, dat te Vlissingen, Maastricht en Leeuwarden gebrek aan officieren bestond, zoodat er geen krijgsraden meer konden worden saamgesteld. Daarentegen was de krijgsraad te Arnhem overladen met werk en het dreigde daar met een goede rechtsbedoeling te zullen spaak loópen. Men bracht nu de zaken, die te Vlissingen en Maastricht aanhangig waren, naar den Bosch; verplaatste den krijgsraad te Leeuwarden naar Groningen; richtte te Zwolle en te Utrecht nieuwe krijgsraden op. Eerst vrij langen tijd na het sluiten van den vrede is aan dien buitengewonen toestand een einde gemaakt.

Wanneer nu en dan de organisatie van de militaire rechtspraak in latere jaren ter sprake kwam, heeft men, zooals ik heb vernomen, zich voorgesteld, dat een toestand als in 1870 zich wel niet meer zou voordoen. Men was van meening, dat met de mobilisatie van het leger, ook met het enkele doel de neutraliteit te handhaven, de oorlogsorganisatie van de rechtspraak, d.w'z. de jurisdictie van de krijgsraden te velde, zou intreden. En de regelingen, ontworpen voor een rechtspraak in oorlogstijd, gingen uit van het denkbeeld, dat zulk een organisatie zou beginnen te werken op het oogenblik, dat er een veldleger zou zijn.

Het is intusschen anders uitgekomen. Bij de mobilisatie in 1914 is een deel van de strijdkrachten te land vereenigd tot een veldleger, dat ook officieel zoo en niet anders is genoemd. Maar de krijgsraden te velde zyn achterwege gebleven. De Regeering die, om redenen welke mij onbekend zijn, zulke college's liever nog niet had, is van oordeel geweest, dat in art. 243 van de Rechtspleging tweeërlei wordt voorgeschreven omtrent het tijdstip van benoeming der krijgsraden te velde, en wel a. de troepen te velde, b. deze troepen voor of bij het openen van den veldtocht. *) Men meende op dien grond, dat een oorlogsorganisatie van leger en militaire rechtspraak niet behoefden samen te vallen, immers, dat het voor de mobiliseering van de laatste nog tijdig genoeg was, wanneer een bepaalde „veldtocht" werd ondernomen. Die meening vond nog steun in den text van art. 253, sprekende van „tijd van oorlog", een uitdrukking veel ouder dan art. 87 van het W. v. S. en overigens zelfstandig te interpreteeren op grond van de restrictie van het daaropvolgende art. 91, en de geschiedenis van het amendement Rooseboom op art. 9 der Invoeringswet. En toen bij K. B. van 12 Augustus 1914, no. 50, aan den Opperbevelhebber was opgedragen telkens wanneer het noodig mocht zijn en de dienst zulks gedoogt, een of meer krijgsraden te velde te benoemen, werd, o.a. door mr. Rollin Oouquerque, 2) gevraagd of dit besluit niet wat te vroeg was genomen.

1) Dit ontbrak nog in het Eeglement van 1799, Afd. III, kap. 2, art. 6.

2) In een voordracht, opgenomen in M. R. T. X, 664.

Sluiten