Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de militaire jurisdictie is geweest, dat wij voor een tijd, die medebracht een organisatie van de militaire macht op voet van oorlog, hebben behouden een organisatie van de militaire rechtspraak op voet van vrede.

■Dientengevolge hebben wij, allereerst, niet kunnen beoordeelen of de oude oorlogsorganisatie van die rechtspraak, de krijgsraden te velde, nog zouden hebben voldaan. In vroegere tijden had zulk een vraag weinig beteekenis, omdat principieel de inrichting van de krijgsraden in de arrondissementen en die te velde niet veel uiteenliepen. Thans is dat anders. De krijgsraden te velde zijn zuiver militaire rechtbanken gebleven.

Toch zou een ondervinding op dit gebied van buitengewoon groot belang zijn geweest; zij zou ons het onsje praktijk hebben gegeven, waarvoor wij de tonnen theorie van de laatste decaden gaarne hadden geruild. De krijgsraden te velde, immers, zouden in de omstandigheden, waarin het veldleger zich in de jaren 1914 tot 1918 bevond, kalm hebben kunnen rechtspreken buiten het rumoer en de onrust verbonden aan werkelijke krijgsoperaties. Terzelfder tijd zouden de krijgsraden in de arrondissementen, althans die te VGravenhage en te Arnhem, met hun gewone werk zijn doorgegaan. En zoodoende hadden wij het voorrecht gehad naast elkander en onder vrijwel gelijke omstandigheden het oude en het nieuwe stelsel in beweging te zien.

Maar een tweede, en voor de beantwoording van de gestelde vraag zeer gewichtig gevolg, was, dat wij vanaf Augustus 1914 een deel der militairrechterlijke organisatie hebben zien werken onder omstandigheden, waarvoor zij niet was gemaakt, en aan een taak, die eigenlijk de hare niet was.

Ik bedoel in het bijzonder de krijgsraden in de arrondissementen.

Deze college's zijn bedoeld als* rechtsprekende in vredestijd en onder vredesomstandigheden. Hun aantal, inrichting en toerusting was berekend naar een klein, sedert 1912 zelfs een zéér klein legertje. Niemand heeft er destijds aan gedacht, dat binnen een paar jaren de drie krijgsraden zouden oordeelen niet over tienduizenden maar over honderdduizenden. Niemand heeft zich voorgesteld, dat de krijgsraden gedurende langen tijd zouden zijn de strafrechters over het grootste deel van onze mannelijke Nederlanders in den leeftijd van 19 tot 30 jaar, d. w. z. dat gedeelte van de bevolking, dat verreweg het grootste percentage van de in foro criminali te beoordeelen feiten pleegt.

Wettélyke maatregelen.

Wijziging van art. 13, Landstorm-wet, teneinde deserteurs van den Landstorm strafrechtelijk vervolgbaar te maken, Wet van 27 Mei 1916, (Staatsblad no. 207).

Wet van 20 April 1918 (Stbl. 254), regelende den rechtstoestand van onbepaald (klein) verlofgangers.

Voor de uitvoering daarvan zie M. B. 22 Juni 1918, He Afd. no. 135, L O. 1918, B. no. 209 en M. B. 29 April 1919, He Afd. no. 25, L.O. 1919, B. no. 186.

Sluiten