Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar dit is niet het eenige. De militaire rechtspraak heeft een dubbel oogmerk. In de woorden van Pols: de militaire rechtspleging heeft met de civiele gemeen, dat zij strekt tot handhaving en verzekering van de algemeene en bijzondere rechtsveiligheid tegen de overtreders der strafwet. Maar — en dit ziet men meestal over het hoofd — zij is tevens een der onmisbare middelen om het leger byeen te houden, om den eerbied voor de militaire orde en tucht te handhaven, zonder welke een leger volkomen nutteloos wordt voor zijn doel. En, in de woorden van de memorie van antwoord op het voorloopig verslag 2e Kamer over de Begrooting 1917: bij elk strafbaar feit — zelfs bij de lichtste overtreding — door een militair begaan, kan, althans onder bepaalde omstandigheden, het belang der militaire tucht betrokken zijn; een belang, voor welks waardeering de militaire rechter is aangewezen, en naar het oordeel van den wetgever van 1912 dient te worden behouden.

Deze tweede opgave is in vredestijd een geheel andere dan in oorlogstijd. Het is algemeen bekend, dat het oneindig veel moeielijker is de tucht te handhaven in een leger te velde dan in leger, dat in de vredèsgarnizoenen ligt. Feit is het, dat zonder de allergrootste inspanning bij hen, die voor de tucht moeten zorgen, een voorwaartstrekkende armée spoedig wordt eene débandade victorieuse, een teruggedrongen strijdmacht ontaardt in een wanordelijke, uitspattende bende. Maar daarnaast is het herhaaldelijk, ook met het oog op onze soldaten, uitgesproken door de ter zake meest kundigen, dat het bewaren van den goeden geest, den militairen zin, en daarmede van orde en tucht in een leger, dat gedurende jaren gedoemd is tot enerveerende werkeloosheid en uitputtende afwachting, nog veel bezwaarlijker is dan het bijeenhouden van een leger op het oorlogspad. Reeds in de oudheid vreesden de legeraanvoerders voor hunne soldaten het leegloopen meer dan den vijand. Mag men dan wel zeggen, dat de taak van den militairen rechter om orde en tucht te handhaven sinds Augustus 1914 niet dubbel, maar veeleer drievoudig verzwaard is geworden, bil is niettemin verplicht geweest aan de vervulling van die taak te arbeiden met het apparaat gereedgemaakt voor zijne allerlichtste bezigheden. Het geheele werk is neergelegd op de schouders van de drie vredeskrijgsraden, sit venia verbo.

Het behoeft geen betoog, dat de militaire rechtspraak over het werkeloos leger aan de grenzen, in haar opgave van te zijn de groote stok achter de deur der corpscommandanten, zich' moet spitsen op de generale preventie, d.w.z. afschrikkend moet werken. Dit kan geschieden door zwaar straffen, maar het kan ook worden tenuitvoergebracht door snel straffen, prompte retributie. Er is tegenwoordig wel niemand meer te vinden, die niet de voorkeur ereeft aan de laatstgenoemde methode. En vroeger dacht men er eigenlijk ook al zoo over. Vandaar de krijgsraden te velde, zoo dicht mogelijk bij de plaats des misdrijfs ên de personen van dader en getuige. De drie krijgs-

Sluiten