Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

raden, volgens vredes-organisatie van de rechtspraak, op wie nu deze taak rustte, hadden gemakkelijk zwaar kunnen straffen. Dat is geen kunst, en dat kan altijd nog geschieden. Maar snel straffen, de taak op de ware wijze vervullen, is gebleken buitengewoon moeielijk, zoo niet onmogelijk te zijn peweest.

Wanneer nu eens iemand mocht beweren niet alleen, maar ook bewijzen — en ik ben daarvoor wel wat bang — dat de geest en de tucht in het veldleger gedurende de jaren 1914—1919 niet zijn geweest zooals zij behoorden te zijn, dan zou men wellicht daaruit ook deze conclusie willen trekken, dat de militairrechterlijke organisatie niet heeft gedeugd. Maar juist deze gevolgtrekking zou dan niet zuiver zijn. Men zou hoogstens kunnen zeggen, dat van die organisatie eén verkeerd gebruik is gemaakt, omdat zij ten deele onbenut is gebleven. Het getuigt niet tegen mijn gereedschapskist, wanneer ik er niet in geslaagd ben met een boor een spijker in te slaan.

Dit moest op den voorgrond worden gesteld. En nu moet ik nog even terugkomen op de zooeven reeds genoemde vertienvoudiging van het aantal justiciabelen dér krijgsraden in verband met dat gedeelte van zijn taak, dat de militaire rechter gemeen heeft met de burgerlijke jurisdictie. Wanneer iemand mocht willen aantoonen — maar daarvoor ben. ik veel minder bezorgd — dat in dit opzicht de krijgsraden de vergelijking met de rechtbanken niet hebben kunnen doorstaan, dan zou daarmee nog niet zijn gewettigd de gevolgtrekking, dat de militairrechterlijke organisatie niet heeft gedeugd. Men zou daartegen met vrucht mogen inwerpen de stelling,,dat de organisatie der krijgsraden in de afgeloopen mobilisatiejaren niet heeft gehad wat men noemt a fair trial.

Men lette eens op eenige voorname punten van verschil in de omstandigheden, waaronder de organisaties der rechtbanken en die der krijgsraden hebben gewerkt.

De inrichting van de strafkamers der arrondissementsrechtbanken had reeds tientallen van jaren ongewijzigd bestaan, alle moeielijke punten daarin waren door de wrijving van de dagelijksche praktijk glad geslepen. Maar de nieuwe organisatie der krijgsraden was nog in haar prille jeugd en kende geen ervaring. Daarbij was de inrichting van de burgerlijke rechtspraak, hoe onvolkomen dan ook, toch een voltooid werk. Van de krijgsraden kon dat niet worden gezegd. Een wezenlijk onderdeel daarvan, de vorming van een kern van juridisch meer ontwikkelde officieren, waaruit bij voorkeur de officieren-commissarissen zouden worden gekozen, was nog niet ver .genoeg gevorderd. De rechtbanken konden terugzien op eene ervaring van meer dan een eeuw op het gebied van strafrechtspleging door juristen van beroep. De krijgsraden hadden op dit gebied nauwelijks de eerste schrede gedaan. De rechtbanken hebben gewerkt met het personeel, dat .de wet voor haar in normale tijden beschikbaar had gesteld. De krijgsraden hebben hun arbeid moeten verrichten met eene noodbezetting van ge-

Sluiten