Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moeielijk kon worden gemist. Daarnevens mag ik vragen of het met voor dé leiding van den gang van zaken in de plotseling boven menige arrondissements-rechtbank uitgegroeide krijgsraden, .verderfelijk zou zijn geweest indien deze leiding had berust bij personen, wier belangen slechts zeer tijdelijk aan den krijgsraad waren verbonden. En eindelijk kan ik het feit constateeren, dat bij de krijgsraden over het algemeen een milde geest bij de straftoemeting valt op te merken, en dat de militaire rechter bij de beoordeeUng van commune delicten stellig clementer was dan de burgerlijke rechter. Ik wil dit niet stellen op rekening van den president, maar vraag alleen of men soms zou meenen, dat hieruit verslechtering van de rechtspraak blijkt?

Dat mijn gevoelen hieromtrent ook door anderen wordt gedeeld, moge blijken uit een enkele aanhaling uit de debatten der 2e Kamer op 20 Maart 1918. De afgevaardigde Hugenholtz merkte op: „Men moet niet vergeten, dat juist de militaire rechter is groot geworden in de leer, dat de tucht het best kan worden gehandhaafd door strenge bestraffing ook van de kleinste nalatigheden. Dat is den militairen rechter met de moedermelk, zou ik haast zeggen, ingegoten . Waartegen Mr. van Sasse van Ysselt: „Ik moet daartegen ten sterkste opkomen, want mij is het bekend, dat, sedert er burgerlijke presidenten zijn verbonden aan de krijgsraden, daarbij veel meer humane beginselen heerschen dan.vroeger het geval was."

Overigens meen ik, dat ook de cijfers mij gelijk geven. Van de 2625 veroordeelingen.in 1918 door den krijgsraad te 's-Gravenhage uitgesproken, bleven 1137 beneden een vrijheidstraf van twee maanden 1279 tusschen twee en zes maanden, terwijl slechts 209 boven zes'maanden gingen. Niet minder dan 45 maal werd voorwaardelijk veroordeeld. Voor den Bosch zijn die cijfers nog sterker: 4534 veroordeelingen, 3519 beneden twee maanden, 903 tusschen twee en zes maanden, 103 boven zes maanden, 44 voorwaardelijk. Arnhem had resp. 3645, 2598, 703, 55 en 71

- Het is ongetwijfeld voor de rechtspraak gedurende de mobilisatie een geluk geweest, dat in de wet niet is opgenomen het oorspronkelijk denkbeeld omtrent de presidenten-plaatsvervangers, n.1 dat de presidenten elkaar onderling zouden vervangen of dat tijdelijk een lid van het Hoog Militair Gerechtshof voor hen zou zitten. Deze regeling zou stellig onhoudbaar zijn gebleken. De bepaling van art. 124 echter heeft het thans mogelijk gemaakt het aantal zittingen van den raad in evenredigheid met het aantal inkomende zaken uit te breiden.

Het spreekt vanzelf, dat de auditeurs-müitair een zwaren tijd hebben moeten doormaken. In het cijfer der ter terechtzitting aangebrachte zaken wordt de omvang van hunne werkzaamheden geenszins uitgedrukt. Daartoe is beter geschikt het getal der door hen op ingekomen klachten uitgebrachte adviezen. In het jaar 191» werden ten parkette van den auditeur-militair in het le Arrondisse-

Sluiten