Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

staan. Zulks te eerder omdat — zooals door Mr. Thöne reeds is opgemerkt — in de R. L. het gronddenkbeeld van de regeling der bevoegdheid van den auditeur-militair, n.1. dat hij niet verantwoordelijk is voor de handhaving van de krijgstucht bij de korpsen, doch de verwijzende officieren wél, niet eens behoorlijk tot zijn recht komt, aangezien de plaatselijke en garnizoenscommandanten niet de officieren zijn, die voor die handhaving in de eerste plaats aansprakelijk zjjn gesteld, en zij (blijkens legerorders 1915, A 78 en 1917, A 28) ook niet allen van het gewicht der zaak doordrongen zijn.

Art. 127 R. L. bepaalt, dat de secretaris van den officier-commissaris tevens de pen voor den krijgsraad zal voeren, en uit art. 29 blijkt, dat hij een geschikt officier moet zijn.

Hiernaast moet men lezen het voorstel van ontwerp 1910 luidende: „tot... .secretaris... .zal bij voorkeur worden benoemd een officier, die den graad van doctor in de regtswetenschap aan eene Nederlandsche Universiteit heeft verworven of met goeden uitslag een regtsgeleerde opleiding heeft genoten, welker omvang en inrichting door Ons worden vastgesteld."

I)e krijgsraden gingen het mobilisatie-tijdperk binnen met een halven secretaris, die, naar ik wil hopen, een „geschikt" officier was, maar geen rechtsgeleerde kennis bezat.

Het bleek al spoedig, dat deze regeling ten eenenmale onvoldoende was. Men moest omzien naar meerdere en naar juridische krachten. Deze zijn gelukkig gevonden kunnen worden onder de reserve-luitenants, die óf reeds in de rechten gepromoveerd waren óf hun doctoraal examen hadden afgelegd. Het geluk heeft voorts den krijgsraad te 's-Gravenhage keurig bediend met een stel jongelui aan wier ijver, nauwgezetheid en uitmuntend werk ik niet mag nalaten allen lof te brengen. Maar van de regeling, in de wet vervat, is niets overgebleven.

Daarentegen heeft de practijk ons gebracht hetgeen was voorgeschreven in het ontwerp 1910. Niettegenstaande men destijds uit den treure herhaalde, dat zulk een regeling „niet gewenscht" was, bleek zij noodzakelijk te zijn.

Het is, wanneer men nog eens heeft nagelezen, wat er al zoo in artt. 299 e. v. R. L. van den secretaris wordt geëischt, en weet hoeveel werk er ter secretarie moet wórden afgedaan, voor niemand twijfelachtig, dat niet mag worden geriskeerd, dat de krijgsraden bij een nieuwe mobilisatie voor zulk een afwezigheid "van bruikbaar personeel komen te staan als nu het geval was.

Maar ook voor gewone tijden moet men kunnen beschikken over iemand, die in staat is zelfstandig alle stukken te ontwerpen en „wijders al datgene te verrigten, wat een Secretaris of Minister bij een Collegie van Justitie verpligt is te doen". De minste „Collegiën van Justitie" hebben daarvoor een persoon met rechtsgeleerde opleiding, waarom de Krijgsraad niet? De „geschiktheid" in het oog van den Plaatselijken Commandant — waarover ik veel, dat ik slechts

Sluiten