Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van hooren zeggen wéét, móet verzwijgen — kan dat niet vervangen. Blijft de tegenwoordige regeling bestaan, dan komt het ervan, dat naast den secretaris ónder den een of anderen naam toch een rechtskundig persoon ter secretarie aan het werk wordt gezet.

Nu meen ik ergens afgeluisterd te hebben, dat de Regeering reeds voor de mobilisatie .van hetzelfde gevoelen was, en dat het vrijwel vaststond, dat de „geschikte" officieren, geen andere zouden zyn, dan zij, die met goed gevolg den cursus te Amsterdam hadden meegemaakt. Het uitbreken van den oorlog en het militair belang zou hebben verhinderd aan dat voornemen uitvoering te geven. Is dit juist, dan overwege men te bevoegder plaatse of de tijd niet is gekomen om den arbeid, die toenmaals moest blijven liggen, weer op te vatten en een werkelijken noodtoestand te beëindigen.

Het is een feit, dat het zwakke punt van de militairrechterlijke organisatie gedurende de mobilisatie heeft gelegen in het voorbereidend onderzoek. Het mag dadelijk worden opgemerkt, dat hetzelfde zich voordoet in het gewone burgerlijke strafproces. Ook daar is men onvoldaan over de instructie. Men zoekt reeds vele jaren lang naar een regeling, die een behoorlijke verzameling van het bewijs waarborgt en tevens de gerechtvaardigde belangen van den verdachte niet te veel schaadt.

De grieven tegen den officier-commissaris zijn in hoofdzaak tweeërlei. In de eerste plaats hebben de instructies over 't algemeen te lang geduurd; in de tweede plaats — en hier ligt natuurlijk gedeeltelijk een oorzaak voor het eerste kwaad — is de officier-commissaris dikwijls gebleken niet opgèwassen te zijn tegen gewiekste misdadigers.

Met een beroep op het overstelpend aantal zaken ware de langzaamheid voor een groot deel te verontschuldigen, doch dit beroep kan niet geheel opgaan. Het is mij toch gebleken, dat de vertraging veelal, n.1. in het Eerste Arrondissement gedurende het jaar 1918 in $50 gevallen, en gedurende de eerste vier maanden 1919 zelfs in 340 gevallen, te wijten is geweest aan een onvoldoend ingaan op de bestanddeelen van het delikt, zoodat door de gerelateerde ongaven van beklaagden en verklaringen van getuigen het bewijsminimum niet werd gedekt. Vele, overigens met prijzenswaardigen ijver en uitvoerigheid uitgewerkte verbalen moesten worden teruggezonden, omdat de niet-jürist, die ze stelde, essentieele vragen niet had gedaan.

Er is misschien geen werk ter wereld, waarvoor de dilettant zich meer geschikt acht dan voor het ambt van rechter van instructie. Groote fabrieken van literatuur dryven op het gegeven van den amateur-detective en de superioriteit van den ongeroepene wortelt zich vast tot onomstootelijkheid. Het ware voor het militairrechterljjk vóóronderzoek te wenschen, dat waarheid en verdichtsel op dit gebied niet te ver van elkander lagen. Het is, helaas, anders, en de uitlating van Mr. Marchant: „voor de functie van officier-commissaris is nagenoeg ieder officier bekwaam" is er vér, zeer vér naast.

Sluiten