Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mag optreden, is door het Hoog Militair Gerechtshof, bij beschikking van 20 Juni 1916, ontkennend beantwoord. Niet op grond van de wet, maar op zuivere opportuniteitsoverwegingen, met het oog op „de verschillende betrokken belangen". Dit wordt niet nader omschreven, maar ik sla de plank niet ver mis, wanneer ik hier invoeg de motieven van de belgische regeering: „met reden is men achteruitgegaan voor de gevaren, die voor het aanzien der tucht en het gezag in het leger zouden kunnen voortspruiten uit de ruchtbaarheid en uit de prikkelende debatten betreffende vaak persoonlijke en kiesche feiten uit het militaire leven". De Utrechtsche balie is het hiermede niet eens. Mijn gevoelen is; dat de vraag eerst zuiver gesteld kan worden, en, zooals dat gewoonlijk gaat, tevens opgelost is, wanneer men zijn standpunt ter beoordeeling van den waren aard van het klachtproces heeft gekozen. Ik kom hierop straks bij de bespreking der openbaarheid terug.

Wanneer de militairrechterlijke organisatie ter sprake wórdt gebracht, kan men moeielijk afzien van eenige woorden over het nieuw ingevoerde — in België reeds in 1830 met behoud van onze R. L. gehuldigde — beginsel van openbaarheid van het eindonderzoek ter terechtzitting. Deze woorden behoeven niet te worden gewijd aan de vraag of die openbaarheid heeft gebracht, ten goede en ten kwade, wat de voor- en tegenstanders zich daarvan hebben voor oogen gesteld. Ik mag toch aannemen, dat, nu de deuren eenmaal open zijn en de hemel niet is ingestort, er niemand meer te vinden is, die in ernst zal voorstellen ze weer te sluiten. Ik mag ook aannemen, dat de voorspelling van Mr. van Engel, dat openbaarheid onmiddellijk de verwerpelijkheid van de krijgsraadprocedure zou aantoonen, geheel mis is geweest, nu zelfs Mr. Mendels in de 2e Kamer heeft gezegd: „ik heb zulk eene goede ervaring van de wijze van behandeling voor den krijgsraad, van de conscientieuse wijze, waaop daar de ernstige strafzaken behandeld worden." Maar er bestaat alle reden om nog eens te denken over de beide beperkingen van het beginsel, de rechtstreeksche, gelegen in de geheime behandeling der reclame-zaken, de zijdelingsche, gelegen in de bevoegdheid van het college om de zaak zonder het openbaar verhoor der getuigen af te doen.

Dat de tegenwoordige wijze van procedeeren in reclame-zaken het noodig maakt de behandeling van het geval voor den krijgsraad met gesloten deuren te doen plaats hebben, wordt verdedigd met een beroep op de belangen van de discipline. Hierover kan ik geen oordeel, vellen. Wat ik echter niet begrijp, is, dat men de fout heeft ge•maakt het reclame-proces zóó in te richten alsof het gevoerd werd tusschen twee partyen, den strafoplegger en den gestrafte. Men heeft daarmee de geheele zaak voor den officier-strafoplegger een te persoonlijk karakter gegeven en zijn prestige noodeloos betrokken bij zijn al dan niet „gelijk" krijgen. Dit heeft zelfs tengevolge gehad, dat op 5 April 1916 in het belgisch leger de geheele reclame öp den

Sluiten