Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

krijgsraad (artt. 15 e.v. van de Rechtspleging) is afgeschaft. En toch had men zoo ver niet behoeven te gaan. De zaak ligt toch zoo — dit is uit de geschiedenis 2) gemakkelijk te bewijzen — dat de aldus genaamde „reclame" niet is een klacht of een appèl, maar eenvoudig een verzoek, dat niet geweigerd mag worden en derhalve gelijkstaat met een recht, om een behandeling door den krijgsraad te doen plaats hebben van een feit, dat krijgstuchtelijk kan worden afgedaan. Al zou er inderdaad bij het Hof van Holland vroeger voor aan reclames analoog gedachte zaken een vorm van communicatoir proces zijn geweest, de wet verwijst toch zeker niet daarheen. De- reclamant komt dus niet als eischer voor het gerecht, maar stelt zich daar als beklaagde; de straf oplegger behoeft niets te verdedigen, hij kan hoogstens getuige zijn; en het debat behoort te loopen tusschen den auditeur-militair en den beklaagde of diens verdediger. Zoodra men de zaak zoo opvat, en dit kan van heden tot morgen zonder eenige wetswijziging geschieden, is er geen reden waarom de gewone procedure voor den krijgsraad niet gevolgd zou worden, en dan kunnen, naar ik meen, zonder gevaar voor de discipline de deuren worden opengedaan. Het voorbeeld is misschien niet van naast de deur, maar hier mag toch vermeld worden, dat de Krijgsraad in Suriname op 6-en 10 Mei 1918 een reclame openbaar en met verdediging behandeld heeft.

Wat betreft het afdoen van zaken op de geschreven getuigenverklaringen, welke zich in het dossier bevinden, kan men zeggen, dat deze praktijk geheel samenvalt met de gedragslijn, voor het gerecht geprojecteerd door zijn oude procesrecht. Was er een confessie, dan was de zaak daarmee uit en het vermelden van een getuigenverklaring tot steun van de bekentenis is slechts een kniebuiging voor het nieuwe bewijsrecht. Is er geen beteekenis, dan zouden de getuigen nog eens ter zitting van dein krijgsraad moeten komen. *)

Op een opmerking deswege gemaakt iu het Voorloopig Verslag over de Justitiebegrooting 1919 heeft de Regeering uitvoerig geantwoord met de volgende uiteenzetting, welke mijn gevoelen geheel weergeeft: „De door eenige leden geuite klachten over onvoldoende mondelinge behandeling door den Krijgsraad, waarvan in theorie de juistheid niet wordt ontkend, verliezen, in het licht der practijk bezien, veel van haar beteekenis. In de eerste plaats komt een uitsluitend recht doen op de stukken juist bij den Krijgsraad, waar het verstek, behoudens mogelijke uitzondering voor overtredingen, onbekend is, niet voor. De beklaagde is zoo goed als steeds persoonlijk bij de behandeling van zijn zaak aanwezig. Bestrijdt hij de juistheid van verklaringen van niet verschenen getuigen, dan heeft hij het oor van den rechter, doch de getuige kan zijn opgaven niet verdedigen of toelichten. In zoover is, practisch beschouwd, de bestaande gewoonte niet ten nadeele van den beklaagde.

1) Zie artt, 15 e.v. van het Reglement 1799, afd. III. kap. 1; en Koolemans Bijnen, N. J. V. 1900. 242, met de aangehaalde opstellen.

2) Vergelijk ontwerp 1799, afd. III, kap 4, art. 34 e.v.

Sluiten