Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verwachtingen is zoo goed als niets uitgekomen. Gedurende meer dan vier jaren heeft onze organisatie met halve kracht onder de moeielijkste omstandigheden gewerkt, zonder kritiek van beteekenis. Wanneer men eens de Handelingen van de Nederlandsche Juristenvereeniging opneemt en in den jaargang 1900 naleest, wie toenmaals gestemd hebben voor radicale afschaffing van den militairen rechter in tyd van vrede, dan weet men zoo ongeveer wie onder de juristen „in de beweging" het minst voor militaire rechtspraak gevoelen, en, indien er iets yan belang viel aan te merken, zeker niet zouden zwijgen. Ik vind daaronder geleerden als Levy, Molengraaff; magistraten als Loder, Gratama, Visser; strafrechtspecialisten als van Hamel, van Geuns, Slingenberg; journalisten als Plemp van Duiveland; politici als Limburg, en ik neem den hoed af voor hen, die ik, niet als geringeren, voorbij Ra- Indien het ergens met de militaire justitie gedurende den mobilisatietijd ernstig had gehaperd, dan hadden zy niet gezwegen. En wanneer men de begrootingsdebatten 1915/1919 der Staten-Generaal nog eens wil doorlezen, dan zal men onder het hoofd „militaire rechtspleging" niet anders vinden dan op- en aanmerkingen van ondergeschikten aard. Daartegenover merkt men hier en daar tevredenheidsbetuigingen op, zelfs van de zijde waarvan men die allerminst zou verwachten, zelfs van de revolutionnaire partijen.

Dit is een negatief, maar onder de omstandigheden, zooals die sinds ongeveer 1900 waren, niet onbelangrijk resultaat, dat positief aldus mag worden omgezet: over het algemeen is men met de militairrechterlijke organisatie gedurende de donkere jaren wel tevreden geweest.

Wanneer ik nu een oordeel zou moeten uitspreken, dan zou ik willen zeggen, dat de militairrechterlijke organisatie, zuiver beschouwd als samenstel van wettelijke bepalingen, daarmede een certificaat van deugdelijkheid heeft verworven. Ik bedoel dit natuurlijk geheel in het algemeen, en laat hierbij alle ruimte voor de reeds door mij gemaakte en door anderen nog te maken aanmerkingen op onderdeelen.

Want wat is toch in den grond der zaak het beste kenmerk voor de deugdelijkheid van een wet? Dat lijkt wel, doch is inderdaad niet, dat zij op de gevoelde behoefte aan rechtsbeschrijving past als een deksel op een pot. Immers de toestanden, van welken aard dan ook, met het oog waarop een wet wordt gemaakt, behooren noodzakelijkerwijs bij haar afkondiging reeds tot het verleden. Zij zijn, soms nog weinig merkbaar, soms reeds zeer duidelijk, gewijzigd. De wetgever is geen profeet, hij komt steeds achter de gebeurtenissen aan. Een wet, die niets anders kon teweegbrengen dan een resultaat, vooruitgezien gevolg van de feitelijke praemissen, die den ontwerper voor oogen stonden, zou daarom de slechtst mogelijke zijn. Zij zou geen effect hoegenaamd hebben. Een goede wet moet juist zoo zijn, dat zij voldoende plooibaarheid en rekbaarheid bezit om met de gebeurtenissen te kunnen meeleven. Wat men, op grond van zuivere

Sluiten