Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gegaan (1913 Baden-Badan en 1914 Cassel) en hield reedsdn het eerste oorlogsjaar (10 en 11 April 1915) ts Brussel een militair-juristendag „in Feindesland", later door meerderen, zoowel aan West- als aan Oostfront gevolgd. Wij, Nederlanders, komen er eerst na vijf jaren toe de ervaringen te bespreken, die wij in de zeer buitengewone omstandigheden der mobilisatie hebben opgedaan. Terwijl men zich in andere landen, waar het leger op voet van oorlog is gebracht, heeft gehaast, om de militairrechterlijke organisatie in overeenstemming te brengen, met de veranderde omstandigheden, kon Mr. Thöne zich in het M. R. T. XII, 422 nog terecht beklagen, dat onze militairrechterlijke organisatie te velde nog steeds niet geregeld was. Wel scheen de redactie iets meer van de zaak te weten en beloofde zij daarop (terug te kcaniem, maar sedertdien wend er niets meer van vernomen, wat men afgaande op den ijver dier redactie als een veeg teeken moet beschouwen.

In het algemeen vindt men in de buitenlandsehe tijdschriften telkens blijken van eene verhoogde belangstelling in het militair recht bij overheid, juristen en militairen; in het M. R. T. daarentegen merkt men daarvan nauwelijks iets. -En voor wat de overheidsbelangstelling betreft ging die nog meermalen in zulk eene eigenaardige richting, dat men zich dikwijls heeft afgevraagd, waarom toch telkenmale maatregelen werden genomen blijkbaar zonder voorlichting van practici. Zoo is het onbegrijpelijk, hoe men de temporaire krijgsraden heeft kunnen afschaffen zonder daartegenover maatregelen te nemen om de noodzakelijk daaruit voortvloeiende overlading der gewone krijgsraden te voorkomen; onbegrijpelijk is mij ook, hoe men verlichting dier krijgsraden heeft kunnen verwachten van het klein-verlofgangerswetje, waar toch reeds niet dan bij hooge uitzondering klein-verlofgangers voor den militairen rechter verschenen, omdat het onderzoek der politie en van dien burgerlijken rechter zich bijna nimmer uitstrekt over den militairen staat van den verdachte. Maar het meest onbegrijpelijk is wel, dat men zich blijkbaar heeft voorgesteld — wanneer men zich daarover ten minste eene voorstelling heeft gevormd —, dat de militairrechterlijke machine kon blijven loopen met voldoende capaciteit alleen door detacheering van eenige officieren — voor een deel juristen — op griffie en auditie. Wanneer men het aantal behandelde zaken vergelijkt met het aantal strafzaken, dat burgerlijke colleges plegen te behandelen, springt dadelijk in het oog in wat ongunstige .omstandigheden de krijgsraden tijdens de mobilisatie hebben gewerkt. In het jaar 1918 behandelde b.v. de Itrijgsraad te Arnhem 3227 zaken ongeacht de reclames —, terwijl de Utrechtsche rechtbank in hetzelfde tijdsverloop 1641 strafzaken behandelde. Daarvoor beschikt laatstgenoemd college over drie juristen, die al hun tijd en werkkracht aan hun rechtersambt kunnen besteden, de krijgsraad echter slechts over één president, die in dezelfde omstandigheden verkeert, en vier leden, die hunne

Sluiten