Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

functie slechts als nevenbetrekking uitoefenen. Weliswaar veronderstelt de Rechtspleging, dat het lidmaatschap van den krijgsraad als eene hoofdfunctie wordt vervuld, maar daarbij is blijkbaar niet gedacht aan gepensionneerden, die naar ik meen zonder uitzondering, tijdens de mobilisatie het ' lidmaatschap vam de krijgsraden bij die landmacht hebben waargenomen. Men zal bij. de beoordeeling van de eischen, die kunnen worden gesteld aan hen, die zich voor het lidmaatschap van die krijgsraden hebben beschikbaar gesteld, moeten letten op die omstandigheden, waaronder humme benoeming heeft plaats gehad en op de opvatting, die te dezen aanzien wordt voorgestaan door hen, die deze aangelegenheid hebben geregeld. Wat nu het eerste punt betreft, heb ik wel vernomen, hoe bij het uitbreken der mobilisatie van het personeel van sommige krijgsraden alleen president en auditeur-militair overbleven, hoe de garnizoens-commandanten geen officieren beschikbaar wilden of konden stellen en hoe de presidenten op zoek moesten gaan naar gepensionneerden, die wel als secretaris en als lid wilden optreden voor de enkele maanden, gedurende welke mien verwachtte, dat de mobilisatie zou duren. Men moet het wel waardeeren, dat deze leden zich voor een zooveel langoren tijd op sleeptouw hebben laten nemen en velen van hen telkens en telkens weer bereid zijn gebleven om zitting te blijven nemen, zonder dat hun positie ooit behoorlijk geregeld is. Want eene behoorlijke regeling is het zeker niet om personen, van wie men het werk verwacht, dat een lid van den krijgsraad behoort te doen, te bezoldigen met ƒ 6.— (later f 7.—■) per zitting en het belangrijke werk, dat buiten dë zitting behoort verricht te worden, onbezoldigd te laten. Duidelijk blijkt uit deze bezoldiging, dat men in den Haag de functie van krijgsraadlid1 als eene nevenbetrekking heeft willen zien beschouwd en dat men van die functionarissen niet veel meer heeft verwacht dan het bijwonen der zittingen en raadkamervergaderingen. Neemt men bij vergelijking der bovenstaande cijfers in aanmerking, 'dat een krijgsraadzaak door de omslachtige wijze van behandeling aanzienlijk meer tijd' vereischt dan de behandeling van een burgerlijke strafzaak, dan behoeft het zeker .geen verder betoog, dat men de krijgsraden het hoog noodige personeel heeft onthouden. Daarbij komt nog, dat de bovengeschetste wijze van benoeming al heel weinig waarborg voor geschiktheid geeft; men was vaak al heel blij personen te kunnen vinden, die zich met de functie wilden belasten en inderdaad heeft men niet ■zelden in de krijgsraden leden kunnen aantreffen, die b.v. wegens hun leeftijd zeer zeker niet in de eerste plaats voor eene belangrijke rechterlijke functie in aanmerking kwamen. Nog een ander bezwaar is eraan verbonden, wanneer men het uitzonderingsgeval, dat officieren op pensioen tot den krijgsraad worden geroepen, tot regel gaat maken en vooral, wanneer dit .gebeurt bij. sterk wisselende militaire toestanden, zooals bij het uitbreken der mobilisatie. De

Sluiten