Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maatregelen overbodig zou nebben gemaakt. Of er iemand is, die nog aan die voortreffelijkheid gelooft, meen ik wel te mogen betwijfelen en al zeer onwaarschijnlijk is het, dat dergelijke bijzondere kwaliteiten zouden worden ontdekt in dit product van wetgeving, waarvan reeds 44 jaar geleden door een bij uitstek deskundige werd gezegd, dat zij eene was met schering en inslag van tegenstrijdigheden, wetenschappelijke ketterijen, dwaasheden m,onzin. Een vrij onvruchtbaar werk is het om thans een opsomming te geven van alle leemten en fouten, die onze militaire rechtsplegingen aankleven; beide zijn langzamerhand al zoo oud en eerbiedwaardig geworden,.dat men de hoop op verbetering wel moet opgeven, en zij hebben tijdens hun lange leven al zooveel kritiek moeten hooren, dat het bijna hardvochtig zou zijn een al te strenge maatstaf voor hunne beoordeeling aan te némen. Zeker, de verjongingskuur die men in 1912 heeft aangewend, heeft wel eenige verbeteringen gebracht, maar voldaan heeft zij niemand, die het wel met de militaire rechtspleging'meent. Ik zal mij daarom bepalen tot het wijzen op die gebreken, die aan den dag zijn getreden of bijzonder sterk zijn belicht door de buitengewone omstandigheden en stel mij voor daartoe den loop van een procedure te volgen. Men kan daarbij vier perioden onderscheiden: de eerste van het plegen van het strafbare feit tot de verwijzing, de tweede die van de instructie, de derde van het "bijeenroepen van den Krijgsraad tot het voldingen der zaak en de vierde na het voldingen tot de pronuntiatie. Over de appèlprocedure hoop ik daarna nog eene enkele opmerking te maken.

De eerste periode is bijna .geheel ongeregeld gelaten door onze wet. Het zwaartepunt van de dan te voeren procedure ligt in art. 7 R. L.—5 R. Z., waar een onderzoek door den korpscommandant wordt voorgeschreven, zoodra hem het plegen van een strafbaar feit bekend wordt. Hoe dit onderzoek moet worden gehouden en welke bevoegdheden degene, die het houdt, daarbij, heeft, zegt de wet niet In de praktijk geschiedt dit zóó, dat de korpsoommandant aan, twee officieren soms aan een, het onderzoek opdraagt en het resultaat-aan den garnizoenscommandant ter beoordeeling opzendt. Die officieren hooreh den verdachte en getuigen en maken van hunne bevindingen proces-verbaal op. Dikwijls zijn deze processen-verbaal niet weinig amusante lectuur, naar den vorm een soort vragen-en-antwoordenspel, naar den inhoud eene opsomming van allerlei bijzonderheden, die meestal meer den persoon en diens beweegredenen tot het plegen van het feit dan het feit zelf betreffen. In vele gevallen dwingen zij bovendien bewondering af voor de scherpzinnigheid, waarmede- en de hoeveelheid van middelen, waardoor in den regel eene bekentenis .aan den verdachte wordt afgedrongen. Toch moet de waarde van dit onderzoek niet te gering worden geacht, omdat het dikwijls juist door zijn manoo aan zakelijkheid, menige bijzonderheid bevat, die voor de strafbepaling van belang is. Aan den anderen kant moet men bij de beoordeeling van dit onderzoek niet vergeten, dat het de commissie van korpsonderzoek aan de middelen

Sluiten