Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tri mg in art. 274 lid 3 R.L. aan den auditeur-militair en in art. 242 lid 3 R.Z. aan den fiskaal opgelegd, welke beperkingen voor hem niet zijn geschreven? Nu heeft zich, voor zoover ik weet, een dergelijk conflict tuschen rechter-commissaris en militaire autoriteit niet voorgedaan en zoo belust op eene uitgebreide competentie zijn deze autoriteiten ook in den regel niet, om ernstige conflicten voor het.vervolg te vreezen. Maar wel zijn er tijdens de mobilisatie herhaaldelijk moeilijkheiden gerezen tusschen lagere grootheden als politieagenten, veldwachters, kommiezen, wachtcommandanten, militaire kommiezen en dergelijke. Voor zoover ik daarmede persoonlijk in aanraking kwam, heb ik wel heel sterk den indruk gekregen, dat de militaire partij zich bij zulke geschillen onafhankelijk voelde van het burgergezag en niet bereid was daarvoor in eenig opzicht te wijken. Men mag hierover denken zooals men wU» tiaar het lijkt mij in ieder geval consequent burgerinmenging bij een justitieel onderzoek uit te sluiten, wanneer daardoor in het militaire leven moet worden ingegrepen, zoodra men eene afzonderlijke militaire rechtspraak heeft volgens ons systeem. En wil men deze conse^quentie niet aan, dan zal het in ieder geval goed zijn de grenzen tusschen militair en burgerlijk gezag op justitieel gebied scherper te trekken dan thans het geval is. ■.

•Wanneer intusschen het korpsonderzoek zondei ongelukken is ai'geloopen, komt het moment, waarop de verwijzing uioet uitgaan. Het voorafgaand advies van den auditeur-militair geeft mij geene aanleiding tot bijzondere opmerkingen. Maar w;l de verwijzing zelf! Want als er één onderwerp is, waarbij duidelijk blijkt, hoe weinig de wetgever zich een toestand als de mobilisatie heeft gedacht en hoe weinig onze wetgeving geschikt is om te worden toegepast bij de tegenwoordige wijze van oorlogvoering, dan is hét wel dit. De rechtspleging kent immers behalve de gewone in den breede geregelde procedure twee bijzondere proceduren: die voor de krijgsraden te velde en die voor de krijgsraden in eene belegerde of berende stad of plaats. In vredestijd, wannéér de troepen in hunne garnizoenen zijn geconcentreerd en de enkele detachementen, die niet in het garizoen aanwezig zijn, daar toch spoedig terugkeeren, is het niet moeilijk te bepalen, wie de „commandeerende officier van het garnizoen" is, die volgens art. 11 R.L. de verwijzing doet uitgaan. Dat deze autoriteit in eene belegerde of berende stad of plaats dezelfde is als die elders „de commanderende generaal of officier", „de commandant", „de generaal" wordt genoemd, schijnt ook wel duidelijk 1). En> ten aanzien van de zaken, die voor de krijgsraden te velde moeten dienen, bepaalt art. 254 R.L. uitdrukkelijk, dat „de commanderende generaal of degene, welke hij, in zijne plaats, daartoe mogt hebben benoemd" de verwijzing moet doen uitgaan. Het systeem van deze regeling in onze overigens vrij systeemlooze rechtspleging lijkt mij wel logisch. Bij het tot stand

!) Bij de instelling der temporaire krijgsraden heeft men vergeten de autoriteit aan te wijzen, die de verwijzing moet doen uitgaan.

Sluiten