Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

komen van onze wetgeving werd, zoodra van het leger een daadwerkelijk gebruik moest worden gemaakt uit de garnizoenen een veldleger verzameld, dat de krijgsoperatiën uitvoerde. De taktiek bracht mede, /dat dat veldleger tamelijk geconcentreerd bleef; van een etappewezen zooals dit tegenwordig bestaat b.v. was geen sprake, evenmin van eene afzonderlijke grens- en kustwacht of bezettingstroepen van forten en stellingen. Voor zoover de op dit gebied te verrichten werkzaamheden niet door de, desnoods versterkte, vredesgarniizoenen konden worden verricht, voorzag het veldleger zelf in zijne'behoeften. Wat niet tot de garnizoenen behoorde, behoorde tot het veldleger en omgekeerd. Eene regeling dus, waarbij ook'op justitieel gebied alleen eene uitzondering gemaakt Werd voor het veldleger en voor de andere troepen de gewone wijze van rechtspleging werd gehandhaafd, was heel wel te verklaren. Hoe geheel anders is de toestand thans! Vooral het gebruik van verdragend geschut en de ontwikkeling van1 het verkeerswezen hebben eene geheel andere vechtwijze in het leven geroepen, toegepast over eene vele grootere uitgestrektheid en met veel meer en veelsoortige hulpmiddelen. Dit heeft ten gevolge gehad, dat niet alleen naast het veldleger en de garnizoenen een groot aantal georganiseerde troepen moesten worden gemobiliseerd, voor welke de verouderde wetten geen toepassing konden vinden, maar ook — en dit is voor ons onderwerp van meer belang — dat voor niet aan den oorlog deelnemende landen eene militaire toerusting voor veel langeren duur en in veel uitgebreider mate geboden was, dan bij de oude taktiek noódig zou zijn geweest. Dat de rechtspleging voor- al de niet tot het veldleger of dë garnizoenen behoorende troepen en ook voor het veldleger, zoolang de veldtocht nog piet geopend was, niet kon worden toegepast, spreekt wel vanzelf; onbegrijpelijk is het, dat men hieraan nimmer heeft gedacht, zelfs niet bij het tot stand komen der wet van (2>3' Mei 1899 (S. 128). Men heeft voor wat het doen uitgaan der verwijzing betreft in deze leemte trachten te voorzien door bij ministerieele beschikking te bepalen, dat tal van troependeelen, die niet in hun garnizoen gelegerd waren voor de toepassing der rechtspleging tot een ander garnizoen zouden bebooren, ja zelfs dat bepaalde legeringsgebieden als één garnizoen zouden worden gérekend. Nog verder ging de minister door, zelfs in strijd met de wettelijke bepalingen, te beschikken, 'dat sommige garnizoenscommandanten hun gezag, weer alleen voor wat de rechtspleging betreft, met andëren zouden hebben te deelen. Hoe willekeurig bij die beschikkingen werd gehandeld', blijkt wel hieruit, dat sommige van die kunstmatig geschapen garnizoenscommandanten zonder garnizoen, in de plaatsen, waar zij hun gezag krachtens ministerieele beschikking hadden uit te oefenen, overigens niets hadden in te brengen. Het is mij niet gelukt ook maar één enkelen grond te vinden, waarop de bevoegdheid van den minister om dergelijke regelingen te maken zou kunnen berusten, maar de jurisprudentie heeft die bevoegdheid aanvaard. Toch geldt het hier niet een simpele

Sluiten