Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een tweede punt, dat een eigenaardigen toestand heeft geschapen gedurende de mobilisatie is de wijze, waarop de redactie der vonnissen; tot stand komt. Art. 324 der oude R.L. droeg het ontwerpen der vonnissen uitdrukkelijk op aan den auditeur-militair; bij de herziening der rechtspleging en de invoering der secretarissen is deze .werkzaamheid uit het artikel geschrapt en alleen het ontwerpen van de missives en verdere stukken behouden.

Blijkbaar oordeelde men den niet juridisch ontwikkelden secreitaris voor eerstgenoemd werk minder geschikt. Weliswaar moeten de vonnissen naar de letter der wet onder de „verdere stukken" worden begrepen, maar de bedoeling, die vonnissen uit te zonderen, is duidelijk. Ook op andere plaatsen in de wet heeft men, toen audijtie en krijgsraad zijn gescheiden en de burger-presidenten en militaire-secretarissen zijn ingevoerd in vele opzichten uit het oog verloren, wat hiervan de gevolgen moesten zijn. Zoo is de verhouding der verschillende autoriteiten niet onder de oogen gezien, zoo is ook vergeten, dat de burgerpresident een andere plaats in de organisatie behoorde in te nemen dan de militaire president tot nu toe had gehad en zoo is ©r evenimin aan gedacht duidelijker, dan geschied is, te zeggen, wie de vonnissen zou hebben te ontwerpen. Maar ook zonder een uitdrukkelijk wetsvoorschrift is het duidelijk, dat de juridisch onderlegde president daarvoor thans de aangewezen perjsoon is, evenzeer als het bij de oude organisatie vanzelf sprak, dat de auditeur-militair het vonnis concipieerde. Ik zonder hierbij den •krijgsraad te Willemsoord uit, omdat de fiscaal daar zich nog steeds houdt aan den in art. 175 R. Z. voorgeschreven vorm zijner conclusie, terwijl de auditeurs-militair art. 170 R.L. sedert de nieuwe organisatie of kort daarna reeds niet meer toepassen en tijdens de mobilisatie wegens overvloed van werk niet meer hebben kunnen ^toepassen.

Voor het samenstellen van een vonnis uit dergelijke conclusies is meestal geen juridische kennis noodig en waar bij de landmacht het Willemsoordsche voorbeeld zou kunnen worden gevolgd, zouden de vonnissen, meer dan thans het geval is, door de secretarissen geconcipieerd kunnen worden. Zooals de toestand tijdens de mobilisatie was, kon dat echter niet en'waren de presidenten voor dit werk aangewezen. Dat daarvan echter al heel weinig heeft kunnen komen, behoeft niet te verwonderen. In hoofzaak ligt dit m.i. in hetzelfde euvel, dat ik zoo juist signaleerde, n.1. dat men bij de invoering van een burgerpresident zich te weinig rekenschap van diens positie heeft gegeven. De president, die de eenige der krijgsraadleden is, op wiens werkkracht ten volle mag worden gerekend en die eene juridische opleiding heeft genoten, die dus voor de juridische werkzaamheden van den raad niet op steun van zijne medeleden kan 'rekenen en die bovendien de leiding heeft te geven, wordt bij ontstentenis, afwezigheid of andere gewichtige verhindering niet verWangen door iemand, die zich werkelijk geheel aan de krijgsraadzaken kan wijden, maar door eenige plaatsvervangers, die om hun

Sluiten