Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eigen werkkring en de hun toegekende bezoldiging als regel niet in staat zijn zich anders dan een zeer enkelen keer met het krijgsraadwerk in te laten. In normale tijden is dat niet erg: de president kan zelf zijn werk wel af, in de vacantjes worden geene -zittingen of slechts zittingen met minimale rollen gehouden en ziekte zal bij uitzondering van zoo langen duur zijn, dat de waarneming uit iets anders bestaat, dan het presideeren 'van enkele zaken. Zoo heeft de rechtspleging zich de vervanging dan ook gedacht. Maar de mobilisatie heeft de noodzakelijkheid gebracht iederen krijgsraad uit twee of drie kamers te doen bestaan; één kamer werd gepresideerd door den president zelf, de andere nu eens door den eenen, dan weer door den anderen, plaatsvervanger. Het beste heeft men deze verdeeling doorgevoerd bij den krijgsraad te 's Bosch, waar men de kamers* ieder met een eigen plaatsvervangenden president, naar ik meen verdeelde naar het soort zaken, zoodat men daar b.v. een z.g. smokkelkamer met een smokkelpresident, een overtredingenkamer met een overtredingenpresident enz. had. Een nadeel van deze regeling is echter hierin gelegen, dat de zaken niet uitsluitend naar volgorde van binnenkomen kunnen worden afgedaan, willen er niet meer zittingen noodig zijn. Waar, zooals b.v. te Arnhem, slechts twee keer per week beschikt wordt over een zittingzaal, is deze regeling dan ook niet goed door te voeren. Maar al kan men het nadeel, dat onze rechtspleging in dit opzicht aankleeft, door eene doelmatige arbeidsverdeeling wel eenigszins venninderen, 'toch behoeft men niet te vragen, wat er ook bij den besten wil der plaatsvervangende presidenten van hunne werkzaamheden terecht moet komen. Er is met betrekking tot deze zaak wel een enkele voorziening getroffen; er zijn n.1. bij de krijgsradten hetzij, als secretaris, hetzij als plaatsvervangend secretaris of zonder eenigen titel juristen-militairen gedetacheerd, die de presidenten speciaal in het ontwerpen der vonnissen hadden bij te staan. In zeker opzicht heeft dit eene verbetering gegeven, omdat, het wel gewenscht schijnt, dat dte secretarissen der krijgsraden als regel juristen zijn. Wanneer echter de vonnissen geen bloot vormelijk karakter dragen — wat helaas meestal wel het geval is — dan schijnt het mij noodig, dat zij in het algemeen worden geredigeerd door hen, die aan de uitspraak hebben medegewerkt, i. c. door de presidenten.

. Maar dat behoeft niet uit te sluiten, dat die presidenten bij de redactie over de noodige assitentie beschikken. Een vonnis betreffende eene rjjwielovertreding b.v. zal meestal niet anders dan een vormelijk stuk kunnen en behoeven te zijn en wanneer in het kort wordt aangegeven, wat daarin moet staan, kan een klerk dit wel redigeeren. Zoo zijn er tal van andere vonnissen, die wel niet door een klerk, maar toch door niet-juridisch onderlegd personeel van meerdere ontwikkeling onder juridische voorliohting kunnen worden gemaakt en in dat opzicht kunnen de tegenwoordige secretarissen zeker reeds goede diensten bewijzen. Was de secretaris zelf jurist, dan zou die juridische voorlichting kunnen vervallen en op dit ge-

Sluiten