Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

er in geslaagd is met onze vrijwel onbruikbare wetgeving in buitengewone omstandigheden eene rechtspraak uit te oefenen, waarin men rvertrouwen kon stellen en dat de gevolgde werkwijze door de omstandigheden in zeker opzicht geboden was. Voor de toekomst zal men echter wel dienen te overwegen of men in oorlogs- en mobilisatietijden niet tot een twee-kamerstelsel zal moeten komen, waarbij dan de tijdelijke raden zouden kunnen worden (genomen uit de presidenten der krijgsraden, voor zoover die beschikbaar komen, of uit plaatsvervangende raden, die reeds in vredestijd nu en dan zouden •moeten fungeeren.

Bij de voorgaande opmerkingen doelde ik in hoofdzaak op de rechtspleging bij de landmacht en liet ik, behalve wanneer het tegendeel bleek, de zeemacht buiten beschouwing. De voornaamste reden hiervoor is wel, dat ik mij te dezen aanzien onvoldoende deskundig weet, waar mijne ervaringen zich bepalen tot eenige appèlzaken, die ik mocht behandelen en eenige adviezen, die ik mocht geven. Maar bovendien komt het mij voor, dat de Zeekrijgsraad van de buitengewone omstandigheden niet zoo heel veel zal hebben gemerkt. De 332 straf- en klachtzaken, die deze krijgsraad in 1918 had te behandelen, wettigen dan Ook volstrekt niet van overlading van dien krijgsraad te spreken. De juridische opleiding bij de marine steekt bovendien gunstig af bij die van de landmacht, zoodat ook in dit opzicht de werking der organisatie daar gunstiger moest zijn dan hier. Toch heeft deze tijd zijn belang, omdat hij onze gedachten nader heëft gebracht aan den oorlog en weer te meer heeft doen blijken hoe ongeschikt onze rechtspleging voor oorlogstijd is; speciaal met betrekking tot de competentieregeling der krijgsraden en de approbatie van hunne vonnissen moeten er in oorlogstijd allerlei moeilijkheden ontstaan, waarvan eene oplossing in de wet niet is te vinden. De bespreking hiervan gaat echter de 'grenzen van dit prae-advies te buiten.

Liever vraag ik aan de hand van het voorgaande aan welke oorzaken het te-kort aan bruikbaarheid van onze militair-rechterlijke organisatie tijdens de mobilisatie moet worden toegeschreven, Ik laat bij het beantwoorden dier vraag de grondoorzaak: het verouderd-zijn der wet en haar gemis aan systeem buiten beschouwing. Het lijkt mij onnoodig daarover nog één woord te spreken of te schrijven, omdat iéder het daarover eens is; ook is het niet zonder gevaar op eene algeheele wijsiging van onze rechtspleging aan te dringen met de risico, dat zich daarmede dezelfde beschamende lijdensgeschiedenis zal afspelen als met het militair wetboek van strafrecht, zelfs al is de kans nog zoo klein, dat een dergelijke aandrang resultaat zal hebben. Ik meen dus met de oorzaken, waarnaar gezocht moet worden, de oorzaken in engeren zin d.w^z. de fouten zelf in onze rechtspleging en wel die fouten, die de organisatie tijdens de mobilisatie zooveel slechter hebben gemaakt dan die in vredestijd. Het lijkt mij niet moeilijk er twee aan te wijzen, welker verbetering naar mijne mee-

Sluiten