Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aridelijke strijdmacht. Eene maUteirrechterlijke organisatie voor oorlogstijd zal dus meer moeten gebaseerd zijn op het personaliteitsbeginsel en met de legerindeeling rekening dienen te houden; daarnaast zal voor de niet tot het veldleger behoorende troepen en voor de aan de militaire justitie onderworpen burgers eene mieer of min territoriale indeeling noodzakelijk blijven. Was nu de legerorganisatie voor vredes- en voor oorlogstijd dezelfde, dan zou men ter wille van een gemakkelijken overgang het territorialiteitsbeginsel voor vredestijd kunnen laten varen en de rechtsmacht der verschillende krijgsraden over de verschillende legereenheden kunnen verdeelen. Maar dit is niet het geval en men zou zoodoende voor dezelfde moeilijkheden komen te staan als thans. Het komt mij voor, dat onze wekten sedert 1899'met de hier genoemde eischen voldoende rekening houden; de beide rechtsplegingen en de wet van 28 Mei 1899 (S. 128) geven ruimschoots gelegenheid' daar, waar het nloodig is, krijgsraden te benoemen en militairrechterlijke autoriteiten aan te wijzen. Wil men in .oorlogstijd van deze gelegenheid een voldoende gebruik kunnen maken, dan is het noodig, dat de voorbereiding daartoe reeds in tijd van vrede wordt en kan worden getroffen. Merkwaardig is het, dat men zich bij ons om den oorlogstoestand in het geheel nooit heeft bekommerd, alsof leger en vloot er voor den tijd van vrede waren. De meesten staan op het standpuntvan prof. van Hamel Sr., die daarover zelfs niet wil spreken, omdat, „de oorlogstoestand zooveel eigenaardigs heeft, dat wij ons „bijna geen rekenschap kunnen geven van hetgeen hij eischt". Liever haal ik de woorden van een Fransch schrijver aan, die met een kleine variant op onze oorlogskrijgsraden kunnen worden toegepast: „les époques de paix nous trompent; c'est ,„aux temps de guerre qu'il faut penser, penser toujours. „Qu'ajdviendra-t-il des armées en campagne, dotées de con„seils de révision improvisés, créés de toutes pièces?" En ik zou verder willen vragen: kunnen wij onze oorlogskrijgsraden improviseeren en scheppen' als de nood aan den man komt? Er zullen dan ten minste 15 a 20 krijgsraden noodig zijn; dat beteekent bij de eenvoudigste bezetting en ongerekend de reserve ten minste 15 presidenten, 30 leden, 15 auditeurs en 16 secretarissen. Waar moeten die juridisch onderlegde officieren vandaan gehaald en waarvandaan die 15 auditeurs? Deze laatsten zullen evenals vóór de reorganisatie van 1913' niet alleen juristen, maar ook militair-juristen moeten zijn, nu de oorlogskrijgsraden hun juridischen president missen. Het is waar: de gewone krijgsraden zullen bij het uitbreken van den oorlog werkeloos worden en men zou dus de gewone presidenten, plaatsvervangende presidenten, auditeurs en plaatsvervangende auditeurs tot auditeur-militair te velde of bij den temporairen krijgsraad kunen benoemen. Maar daar staat tegenover dat eerst het geheele militaire arrondissement in staat van beleg zou moeten zijn verklaard, vóórdat die ambtenaren in hun gewonen werkkring kunnen worden gemist, wanneer ten minste eene over-

Sluiten