Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gangsvoorziening is gemaakt voor die zaken, die reeds bij het intreden van den oorlogstoestand aanhangig zijn. Zal het dus misschien al gelukken uit het bestaande personeel een voldoend aantal auditeurs-militair te recruteeren, veel moeilijker zal de bezetting van de krijgsraden zelf zijn. Veel moeilijker ook, omdat aan het krijgsraadpersoneel in oorlogstijd veel hoogere eilsöhen moeten worden gesteld dan in tijd van vrede; zonder .gelegenheid de bronnen te raadplegen, zonder gelegenheid tot onderlinge gedachtewisseling, zonder gelegenheid tot rustige overpeinzing aal men als president of lid van een krijgsraad door en door op de hoogte moeten zijn om iets van het werk terecht te brengen. Zal men hen moeten zoeken onder de officieren, die in vredestijd lid van een krijgsraad zijn geweest? Maar die hebben als regel, zooals het tegenwoordig is, volstrekt geen juridische vooropleiding genoten en kennen dus alleen het routinewerk van zitting en raadkamer. Bovendien kunnen zij misschien voor andere belangrijker functiën zijn aangewezen. Zal men hen dan moeten zoeken uit de .gepensionneerden? Inderdaad heeft men tijdens de mobilisatie te elfder ure op deze categorie het oog geslagen en voor presidenten bij de krijgsraden te velde eenige verdienstelijke gepensionneerde opper- en hoofdofficieren bestemd met de bedoeling ook de leden dier raden daaruit te benoemen. Hierboven noemde ik reeds een bezwaar tegen het veelvuldig gebruik van gepensionneerden en het bezwaar, dat tegen niet-gepensionneerde oud-krijgsraadleden geldt, geldt tegen hen evenzeer. Er zal misschien een enkele zijn, die meent, dat dit toch anders is met de juristen, die als verlofsofficier deel van het leger uitmaken en dat zij dus in de eerste nlaats voor het lidmaatschap der krijgsraden in aanmerking komen. De rechtspleging echter denkt er anders over en acht de juristen-verlofsofficieren voor het vervullen van het krijgsraadlidmaatschap althans in vredestijd totaal ongeschikt.

Maar ook afgescheiden .daarvan zou ik meenen, dat deze categorie nog' volstrekt niet in alle opzichten voor het vervullen van belangrijke militairrechterlijke functies geschikt is; voor hen geldt immers evenzeer, dat nog niet alle militaire juristen militair-juristen zijn en dat wij juist deze laatsten noodig hebben. Daarbij komt nog, dat uit den aard der zaak de verlofsofficieren in hoofdzaak de jongeren uit het officierskorps zijn, die nog kortelings van de academie komende zich de noodige ervaring voor een rechtersambt niet hebben kunnen eigen maken. Er is sedert de mobilisatie onder hen een nieuwe groep ontstaan, wier bijizondere bestemming dn den regel juist het vervullen van militairrechterlijke functies zal zijn; ik bedoel de reserve-officieren voor speciale diensten. Toch zou ik meenen, dat deze instelling hoe eer hoe beter dient te verdwijnen, wanneer men een eerlijke uitvoering wil van het stelsel der militaire rechtspraak door militairen. Men heeft nu eenmaal het systeem ingevoerd, dat voor het bekleeden van een .aantal functies de officiersrang noodzakelijk is; nog bij de reorganisatie van 1913 heeft men zich daaraan gehouden en er is ook hier nimmer een serieuze

Sluiten