Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nevenbetrekking tot het vervullen van deze functie bereid verklaren.

Deze regeling zou het dubbele voordeel hebben, dat deze officieren zich reeds in vredestijd de voor hun oorlogstaak noodige ervaring zouden kunnen verwerven en dat de in vredestijd zoo belangrijke instructie werd vervuld door daartoe bekwame ambtenaren. Om de moeilijkheid te ontgaan in iedere garnizoensplaats een geschikt verlofsoffióier-jurist te vinden, ware het land te verdeelen in een aantal b.v. 10 ressorten, waarbinnen telkens één officier-commissaris zou kunnen worden benoemd. Ik denk mij eene dergelijke regeling zóó, dat er niet zou ontstaan een afzonderlijk korps gerechtsofficieren, zooals dit in sommige landen bestaat en hier van enkele zijden wordt gewenscht; ook zelfs niet wanneer men dit inricht, zooals in Rusland, waar het gerecruteerd werd uit oud-compagniescommandanten met eene practische en theoretische juridisclie opleiding of zooals in Noorwegen, waar het bestaat uit rechterlijke ambtenaren, die officiersdienst hebben verricht; alleen zou ik bij een aantal officieren willen zien aangekweekt voldoende kennis en* voldoende ervaring. Laten die officieren, wanneer zij hun functie niet vervullen, hun gewonen troependienst verrichten; zij zullen daardoor blijven, wat zij m.i. behooren te zijn, officieren en niet opgelost worden in een korps ambtenaren, dat alleen door zijn uniform van de civiele ambtenaren verschilt. Zoowel in oorlogs- als in vredestijd kan men hen gemakkelijk telkens voor een zekeren tijd van hun functie ontheffen en een plaatsvervanger aanstellen. Evenzeer acht ik het voorbeeld der zeemacht voor de landmacht niet navolgenswaard, om speciaal de officieren der administratie eene belangrijke juridische opleiding te geven. Voor de zèemacht, waar de administratieofficieren op het schip onder de bemanning verkeeren, is het gevaar van vervreemding daarvan niet zoo groot als in het leger, waar die officieren zich slechts zelden in den troep' begeven.

De hier aangegeven regeling geeft naar mijne meening een een-, voudigen overgang van vredes- op oorlogstijd; zij maakt het ook mogelijk in een tusschenstadium, als den nu genoten mobilisatietijd, een tusschenvorm te vinden, die aan de behoeften van het oogenblik voldoet. Men zou daarvoor eene afzonderlijke regeling kunnen ontwerpen voor den tijd, waarin de krijgsmacht gemobiliseerd, maar het land nog niet in oorlog is. Het is nu wel gebleken, dat de vredesorganisatie voor dien tijd niet deugt en dat kan ook moeilijk anders. Aan den anderen kant is de oorlogsorganisatie minder gewenscht; men wil juist alles zooveel mogelijk in zijn gewone d( en laten en niet de beschikking geven aan het militair gezag over alle straffe machtsmiddelen die het in oorlogstijd noodig heeft. Ook de dislocatie dier strijdmacht is evenals dn vredestijd vrijwel constant.' Men zal wenschen de wijze van rechtspleging en het materieel recht zooveel mogelijk te laten, zooals die in vredestijd waren, maar alleen eene-organisatie in te stellen, die rekening houdt met de veranderde omstandigheden. De belangrijkste van die omstandigheden is wel het toenemen van het aantal zaken. Op twee wijzèn kan hierin

Sluiten