Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wen had in de ondernomen herziening der wetgeving. De grieven van de voorstellers waren in hoofdzaak drieërlei: 1. de hooge straf minima, 2. de uitgebreidheid der competentie, die zich ook over een groot aantal burgers uitstrekte en 3. de onbekwaamheid der militairrechterlijke macht; aan de twee eerstgenoemde grieven werd al spoedig door eenige novellen tegemoetgekomen. De laatste grief is echter voor ons van meer belang. Men haalde voorbeelden aan van onmaatschappelijke vonnissen, maar meestal bleek het, dat de fout meer in de wet dan in de rechterlijke macht school. Bij de behandeling der wet is dan ook van verschillende zijden er op gewezen, dat juist de Zwitsersche militairrechterlijke macht in het algemeen aan veel hoogere eisohen voldoet dan elders en dat de combinatie militair-jurist voor de militaire rechtspleging eene bij uitstek gunstige is; ik heb niet kunnen vinden, dat de tegenstanders van de militaire justitie hierop hunne grieven te dezen aanzien hebben kunnen handhaven.

Over één punt was men het echter vrijwel eens: dat de „Justizoffiziere" in den regel den troependierist meer of minder „entfremdet" waren en dat het voor de rechtspraak zoo gunstige militaire element bij hen wel eens wat te wenscben overliet. Is deze ervaring met betrekking tot hetgeen ik hierboven over de vervulling van verschillende functies opmerkte van belang, merkwaardig is ook, dat de bondsraad in zijn rapport over het bovengenoemde voorstel als groote deugden der militaire rechtspleging aanprees de volledige behandeling ter terechtzitting en de mededeeling aan beklaagden van de motieven, die den krijgsraad tot. zijne beslissing hebben geleid. En ten slotte is van belang de door eenmenging van het territorialiteitsbeginsel met het personaliteitsbèginsel, die tot algemeene tevredenheid een spoedigen overgang van vredes- tot oorlogsorganisatie heeft mogelijk gemaakt. Voor ons is dit systeem niet na te volgen, omdat onze legerorganisatie niet territoirsgewijze is geregeld; maar wel kan het als voorbeeld zijn nut hébben om te toonen, hoe ver wij van eene goede regeling af zijn.

Wat België betreft, in zeker opzicht is dit land in gunstige omstandigheden geweest met betrekking tot ons onderwerp. De geconcentreerde legering van het Belgische leger na den Yserslag heeft het functionéeren van de militaire justitie gemakkelijker gemaakt dan in de meeste andere landen. Ondanks de groote gebreken der rechtspleging — men heeft er onze belangrijk gewijzigde wet van 1814 nog — zijn er, voor zoover ik heb kunnen nagaan geen ernstige klachten gerezen. In hoofdzaak zal dit wel moeten worden toegeschreven aan het groot aantal krijgsraden, dat onmiddellijk na het uitbreken der vijandelijkheden is ingesteld; bij Kon. Besluit van 4 Augustus 1914 (Mon. Beige p. 5014) werden niet minder dan 16 krijgsraden ingesteld, welk aantal later iets is ingekrompen door het buiten functie komen der provinciale krijgsraden en der krijgsraden in de stellingen Antwerpen, Luik en Namen, wier. ressort in het bezette gebied was gelegen. Dat de verschillende functies ge-

Sluiten