Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

's-Gravenhage, Augustus 1919.

Ingevolge den wensen van den toenmaligen Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel, A. S. Talma, werd een onderzoek ingesteld naar de arbeidsvoorwaarden van kantoorpersoneel, mede naar aanleiding van de uitgave van het rapport „De Arbeidswet en de Handels- en Kantoorbedienden", door de Nederlandsche Vereeniging van Christelijke Kantoor- en Handelsbedienden. Ter voorbereiding van het onderzoek had in 1912 een bespreking-plaats met vertegenwoordigers van verschillende organisaties van kantoorbedienden, met name:

Nationale Bond van Handels- en Kantoorbedienden „Mercurius"; Algemeené Nederlandsche Bond van Handels- en Kantoorbedienden; Nederlandsche RoomschKatholieke Bond van Handels-, Kantoor- en Winkelbedienden.

Bij deze bespreking werd de vraag behandeld, welke onderwerpen voor een onderzoek in aanmerking kwamen en wérd door de vertegenwoordigers toegezegd, dat de enquêteurs konden rekenen op voorlichting en medewerking van de organisaties.

Het daarop begonnen onderzoek door den controleur van den Arbeid H. P. de Haas en den tijdelijken onderzoekingsambtenaar Gr. H. Boese, werd door het uitbreken van den oorlog vertraagd; in de eerste plaats doordien de ontwrichting in handel en industrie en het onder de wapenen roepen van vele bedienden het hoogst ondoelmatig, deden zijn om toen .het onderzoek voort te zetten; in de tweede plaats doordien genoemde ambtenaren noodig waren voor meer urgente bezigheden. De vele werkzaamheden, welke in de oorlogsjaren aan de Arbeidsinspectie werden opgedragen, waren oorzaak, dat ook de bewerking van het verslag vertraging ondervond.

De gegevens hebben dientengevolge betrekking op toestanden in 1917 en vroeger; de loonen zijn die, betaald vóór Augustus 1914.

De Hoofdinspecteur van den Arbeid, waarnemend Directeur-Generaal,

G. j. P. Zaalberg.

Sluiten