Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

standig zich de toekomstige inrichting duidelijk voor oogen te stellen. Hoe die ook zij, zeker zal de factor vertrouwen in elks plichtsbetrachting, ook bij geringe of geen controle van overwegend belang blijven.

Voor de kleine dorpsscholen is de moeilijkheid niet zoo groot. Daar kent het hoofd alle kinderen zijner school, benevens alle ouders. Ook al komt hij niet geregeld in alle klassen, — wat hij trouwens ook niet doen kan, bezet als hij is met minstens éen, vaak twee en soms drie leerjaren. Ook is het contact, het dagelijksche, het onopzettelijke, het vriendschappelijke, het gemoedelijke zelfs, zooveel gemakkelijker te verkrijgen.

Toch zou op die school het tijdelijk ambulantisme van het hoofd der school van groot belang zijn. Het is gewenscht, dat hij, met de onderwijzeres de nieuw aangekomenen goed leert kennen. In dien tijd zou een week vrijaf geven van zijn klasse, teneinde hem in de gelegenheid te stellen, de laagste klasse mede in te richten en op te zetten, voldoende zijn. En voor het zich op de hoogte stellen van de vorderingen tijdens den cursus zou omwisseling, met het vrijaf geven van een of twee schooltijden voldoende zijn.

Ook hier hangt ongeveer alles af van de persoonlijkheid van de(n) onderwijzer(es). Het leerplan moge nog zoo mooi in elkander zitten, op de uitvoering komt het aan. En de goedkeuring van het leerplan levert geen enkelen waarborg voor de richtige uitvoering. Dat levert alleen de man of de vrouw, die zijn of haar plicht kent en doet. Heeft dan het toezicht, rijks of gemeentelijk, hierop geen invloed? Zeer zeker, maar niet afdoend.

Ik schakel geheel uit de plaatselijke schoolcommissies. Dit papieren toezicht wandelt rond en kijkt, na afloop daarvan zwijgt het meestal en maakt thuis of in commissie een rapport, dat voor 9/io statistisch is. En in die statistiek stelt bijna niemand belang. In enkele groote steden theoretiseert die commissie ook wel, maar van een wezenlijk ingrijpen in den gang van zaken, zoodat de school beter waarborgen geeft, is mij nog weinig gebleken.

Trouwens met het constateeren van een kwaad, een te kort, een te breed, een te ondiep, is het lijdend voorwerp niet meer te helpen, en of het volgend belanghebbend voorwerp er wat aan hebben zal, moet nog blijken. Herhaling van klachten is in die rapporten ook al geen zeldzaamheid.

Sluiten