Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

steeds een wakend oog op ons gericht hield; maar toch ,Ieder is de smid

van zijn eigen fortuin", leerden wij in de Stichting, en toen hebben wij pas de werkelijke waarde van dat.woord leeren beseffen.

Het volle leven greep ons; moeiten en zorgen kruisten onzen weg; het werd een worstelen om er boven uit te komen. De harde noodzakelijkheid dwong ons voort; het heilige moeten stond achter ons. Arbeiden was het wachtwoord.

«Een hand die weinig arbeidt heeft een fijner gevoel», zegt Shakespeare.

Was hel wonder, dat in die jaren, toen de harde strijd om het bestaan al onze krachten eischte en ons noodzaakte al onze energie te concentreeren op onzen arbeid, — was het wonder dat in die jaren óns „fijner gevoel" wat afsleet? Was het wonder, dat onze gedachten minder vaak uitgingen naar verleden, waar het héden en de naaste toekomst al onze aandacht vergden?

Zooals het met zooveel jonge menschen gaat, zoo ging het ook met ons: het meer reëele drong het meer ideëele op den achtergrond.

Dat was de oorzaak, dat van onze goede voornémens in den aanvang zoo weinig terecht kwam.

En toch gevoelden wij wel, dat het zoo niet goed was.

* * *

Wij gevoelden dat het zoo niet goed was; wij misten iets. In oogenblikken dat wij tot rust kwamen en tot ons zelf inkeerden gevoelden wij dat heel sterk.

Er was iets verbroken dat niet verbroken had mógen worden, en het was met een zekeren weemoed dat wij terugdachten aan die zorgelooze Stichtingsjaren, die veelal de aangenaamste van ons leven waren geweest.

De oude bekende gezichten kwamen ons weer voor den geest, en we betreurden, dat wij niet met elkaar in contact gebleven waren. Ddn beseften wij pas, hoe noodeloos en hoe ongemerkt wij langzamerhand van elkander waren vervreemd. Nü stonden wij alleen, en we voelden ons eenzaam, omdat er zooveel had kunnen zijn, wat niet was.

Tot ons allen, Oud-Louisianen, kwamen die gedachten vroeg of laat, en des te sterker kwamen die gevoelens bij ons boven, als we toevallig een tijdgenoot uit onze Stichtingsjaren ontmoetten. Dan herinnerden we ons weer duidelijk dat alles van vroeger, en we leefden op als we hoorden hoe het den anderen verder gegaan was; onze belangstelling in elkanders omstandigheden was als vanouds weer even hartelijk als oprecht. Des te grooter was dan onze spijt, dat wij onderling geen voeling gehouden hadden, en dat de oude vriendschapsbanden niet krachtig en sterk waren gebleven.

Vooral ook wanneer wij de Louisa-Stichting een bezoek brachten verlangden wij daar de makkers uit onze jeugdjaren nog eens terug te zien, hen te spreken en de hand te drukken, daar, in ons vroeger thuis, — maar anderen hadden onze plaats ingenomen, en wij moesten ons tevreden stellen met de berichten die wij zoo nu en dan van den een of ander te hooren kregen.

Sluiten