Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij schreven toen: Zondag 25 Mei 1913.

Het was prachtig weer, een echte lentedag, dien Zondag, een dag die zelf reeds opwekte tot vreugd; en blijde gestemd zijn we dan ook samengekomen, uit alle oorden des lands, in het goede, oude huis aan het Alexanderplein 15.

In een gewoon gezin verwelkomen vader en moeder hunne kinderen in de woonkamer, de plaats der gezelligheid. Ook wij werden in de huiskamer ontvangen door hen, die destijds de plaats van onze ouders hebben vervuld, n.1. door de Heeren Regenten en de Directie.

Dankbaar herdachten wij, bij monde van den oudste onzer, de mannen en vrouwen van 1869, die medewerkten de Louisa-Stichting op te richten, en die de grondslagen legden van het vele goede dat wij thans nog zien.

Zoo was ons lievelingsdenkbeeld verwezenlijkt. Daar in de Louisa-Stichting, in de ons zoo bekende omgeving, zagen wij elkander terug. Wij ontmoetten elkander om zoo te zeggen „thuis", waar we slechts vrienden en bekenden, geen vreemden om ons heen zagen. We voelden ons weer „kinderen" der Stichting, we voelden ons weer één. Dat moge blijken uit het slot van het Réunie-verslag:

„Een goede dag is te boeken in de geschiedenis der Stichting. Goed, omdat bij de aanwezigen opnieuw warme belangstelling is ontwaakt voor hun oude L. S., goed ook, omdat van het begin tot het einde van het feest een stemming heerschte zooals slechts kan worden verwacht van zusters en broeders, kinderen van Vrijmetselaren".

Onder luiden bijval werd besloten jaarlijks samen te komen, en wel op den Zondag vallend op 24 Mei (de geboortedag der Stichting) of den eerstvolgende na dien datum.

Niet minder instemming vond het denkbeeld geregeld een Correspondentieblad uit te geven, omdat men wel begreep, dat dit het middel was om de slapende belangstelling voor de L. S. weder wakker te roepen, en de band tusschen de Oud-Louisianen inniger te doen worden tot wederzijdschen steun en opbouwing.

* *

Toch waren wij nog niet tevreden met onze Réunie's en ons krantje. Wij wenschten dat ook bij ons het ideëele met het meer reëele hand aan hand zou gaan.

Hierboven werd reeds aangeduid hoe moeilijk in de eerste jaren na het verlaten der Stichting de levenstrijd voor den Oud-Louisiaan is. Terwijl anderen de ruggesteun hebben van hun gezin, van ouders, broeders of verwanten, sjonden wij veelal alleen; dien steun moesten wij althans ontberen.

Wat was natuurlijker, dan dat wij luide een „serrez vos rangs" deden weerklinken, en ons hecht aaneensloten als leden van die eene groote Louisiaansche familie om dat gemis te vergoeden ?

Wat wij vroeger gemist hadden moest thans tot stand komen: een kring van vertrouwde vrienden om ons heen, waarop wij onder alle omstandigheden konden

Sluiten