Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

harer vijanden zou vergrooten. Zoo dacht zeker de man er niet over, dien ik op het oog heb, de Heer Jean Joachim Gosselin , in leven Commies bij het Ministerie van Koloniën, den 25stea Juni 1865 overleden, die, bijna zijn geheel vermogen nalatende aan de algemeene armen, bovendien eene som van f20000 bestemde ten behoeve van een stichting voof kinderen van minvermogende Vrijmetselaren. Tienduizend gulden moesten besteed worden voor de oprichting van het Gesticht, terwijl tienduizend gulden op het Grootboek moesten worden belegd, rente op rente, voor den tijd van 50 jaar, om na verloop van dien tijd te dienen tot onderhoud dier inrichting. Deze renten zijn met ingang van September 1918 ter beschikking van de Stichting gekomen, waardoor het jaarlijksch inkomen met ƒ 2670 is vermeerderd. Met gevoelens van groote dankbaarheid zal de naam van den Heer Gosselin steeds in de Louisa Stichting worden genoemd.

De uitgave van het werkje van den Heer Noordziek over de plannen der Commissie gaf o.a. de teekening aan, van een te bouwen weeshuis, ingericht en geschikt voor dertig kinderen. Door vergelijking van het aantal weezen in het Buitenland meende de Commissie op ongeveer dit getal nagelaten kinderen van minvermogende Vrijmetselaren te moeten rekenen.

De Heer G. Brouwer, architect van het gebouw der Orde, de ontwerper en teekenaar der plannen, had eene begrooting ingediend ten bedrage van ongeveer ƒ46000. De kosten van aanleg en bouwen meende de Commissie te kunnen vinden uit de eene helft van het legaat Gosselin, uit de te verwachten vrijwillige bijdragen en, zoo die onvoldoende waren, uit de opbrengst van te houden loterijen engeldleeningen, in aandeelen van ƒ100.

De kosten van het onderhoud zouden worden gevonden uit de renten van het bestaande Liefdefonds, van het Maconnieke Fonds voor Leidens-ongelukkigen '), van de in 1864 en 1865 ingekon-en vrijwillige bijdragen, van te wachten giftenen legaten, jaarlijksche bijdragen van Loges en'Leden, inzamelingen in de Loges en de bijdragen tot nu toe opgebracht voor het Liefdefonds.

Cijfers gaf deze commissie niet, meenende dat deze moesten gegeven worden door hen, die later met de uitvoering der plannen zouden worden belast.

Verder werd medegedeeld, dat de Commissie aan den Hoog Eerwaarde den wensch te kennen had gegeven, dat het Hem mocht behagen het Beschermheerschap te aanvaarden over het gesticht en daaraan den naam te verkenen van LouisaStichting, daarbij wijzende op de Augusta-Stichting te Berlijn, ook eenMaconniek weeshuis, zoo genoemd naar de Gemalin van Z. M. den Koning van Pruisen, Br. Wilhelm.

1) Bij de ramp van Leiden was eene som van ƒ 13032 verzameld in de Loges tot leniging der ramp. Bij Resolutie van het Groot-Oosten van 21 Juni 1809 waren die gelden belegd in Hollandsche Schuldbrieven, met het bepaalde doel om daaruit blinde kinderen of andere ongelukkige kinderen van Broeders te steunen. In overeenstemming met deze beschikking gingen deze geelden later aan de Louisa-Stichting over op voorstel van het Hoofdbestuur der Orde.

Sluiten